
Blauwalgen zijn bacteriën. Wanneer de algen sterven, verandert hun kleur van groen naar lichtblauw, vandaar de naam blauwalgen. De algen drijven in lagen op het water van sloten en vijvers en kunnen verschillende kleuren hebben: rood/bruin, groen en blauw. Soms lijkt het net op een laag verf. Bij het afsterven van deze algen komt ook een enorme stank vrij.
Blauwalgen reageren sterk op de temperatuur van het water en de hoeveelheid licht. Hoe warmer het water en hoe zonniger het weer, hoe explosiever de groei van blauwalgen zal verlopen. Blauwalgen kunnen al voorkomen bij watertemperaturen tussen 15 en 19 graden, maar bij 20 graden en warmer gaan ze echt flink groeien. Regen heeft weinig effect op blauwalgen. De temperatuur van het water daalt er in ieder geval nauwelijks door. Het is de combinatie van regen, bewolkt weer en kortere dagen (minder zonlicht) die in het najaar de blauwalgen de das omdoet. De algen die in het voorjaar al voorkomen, zullen zeer waarschijnlijk alleen maar blijven groeien en voor overlast blijven zorgen.
Blauwalgen kunnen gevaarlijk zijn voor mens en dier. Ze scheiden namelijk giftige stoffen af. Vergiftigingen komen voornamelijk via de mond tot stand. De meest voorkomende gifstoffen dringen niet door de huid het lichaam binnen, maar kunnen wel huidirritaties en allergische reacties van de slijmvliezen veroorzaken. Kleine kinderen echter zijn kwetsbaarder omdat zij al van een kleine dosis ziek kunnen worden.
De voornaamste in Nederland voorkomende gifstof is microcystine. Deze kan lang intact blijven in het oppervlaktewater. De ziekteverschijnselen bij blootstelling aan microcystine zijn als volgt:
Lage dosis: jeuk, huiduitslag, maag/darmklachten (misselijkheid, buikpijn, diarree), griepachtige verschijnselen, hoofdpijn, geïrriteerde ogen, oorpijn, blaren rond de mond
Hoge dosis/chronische blootstelling: ontwikkeling van tumoren, beschadiging van de lever met mogelijk de dood tot gevolg.
Blauwalgen laten zich moelijk bestrijden. Daarom bestaan veel maatregelen uit het voorkomen van blauwalgen of het letterlijk buiten de deur houden ervan. Het waterschap kan aan het begin van de zomer besluiten om extra water uit de Amer via het Wilhelminaknaal naar de Mark en de Vliet te laten stromen. Door deze extra stroming in het water krijgen de blauwalgen minder kans om te groeien.
Op het Volkerak komen ’s zomers ook vaak blauwalgen voor die bij bepaalde windrichtingen naar de mondingen van de rivieren Mark en Dintel en de Vliet dreigen te stromen. Om dat tegen te gaan, kan het waterschap besluiten om de sluisdeuren bij Dintelsas (Dinteloord) en Benedensas (De Heen, Steenbergen) te sluiten en alleen af en toe te openen om schepen te laten passeren. Overigens werkt het waterschap samen met andere organisaties mee aan het oplossen van het blauwalgenprobleem op het Volkerak-Zoommeer.
Ook stadsvijvers en zwemplassen zien ’s zomers vaak ‘groen’ van de blauwalgen. Het waterschap onderzoekt daarom op welke manieren de groei van blauwalgen in deze waterpartijen tegengegaan kan worden. Zo heeft het waterschap speciale mosselen uitgezet in een vijver in Breda die de blauwalgen uit het water kunnen filteren. In andere vijvers moeten speciale waterplanten voor meer zuurstof in het water zorgen en kan het baggeren van de voedselrijke bodem in enkele gevallen oplossing bieden.
Bestrijding van blauwalgen is niet alleen een taak van het waterschap en de gemeenten. Omwonenden van stadsvijvers en singels kunnen bijdragen aan de vermindering van het blauwalgenprobleem door de eendjes niet meer in het water te voeren. De broodresten zorgen namelijk voor extra voedingsstoffen voor algen. Dat geldt ook voor hondepoep waarvan de voedingsstoffen met het regenwater uiteindelijk in het vijverwater terechtkomen. Voor dit probleem hebben veel gemeenten al speciale uitlaadveldjes ingericht of poepbakken geplaatst.