Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Waterschap Brabantse Delta

Waterbeheerplan 2016-2021 Grenzeloos verbindend

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
Overheidsorganisatie Waterschap Brabantse Delta
Officiële naam regeling Waterbeheerplan 2016-2021 Grenzeloos verbindend
Citeertitel Waterbeheerplan 2016-2021
Vastgesteld door algemeen bestuur
Onderwerp algemeen
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Waterwet, art. 4.6

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

22-12-2015 Nieuwe regeling

14-10-2015

Waterschapsblad, 2015, 9740

15IT021588

Tekst van de regeling

Voorwoord

Voor u ligt het nieuwe Waterbeheerplan van Waterschap Brabantse Delta. Het beschrijft de hoofdlijnen van het beheer van het water- en zuiveringssysteem voor de periode 2016-2021. Het is inhoudelijk een vernieuwend plan dat in dialoog met partners is opgesteld. De 34 ingediende zienswijzen op het ontwerp plan zijn benut om de tekst en bijlagen op onderdelen te verbeteren.

Naar een participatiesamenleving

Met diverse partners is niet alleen gesproken over wat er van het waterschap verwacht wordt, maar ook wat iedereen zelf kan doen aan een beter waterbeheer. Deze nieuwe toon en houding van het waterschap zal de komende periode worden voortgezet. Zo groeien we naar een participatiesamenleving waarin burgers en ondernemers meer eigen verantwoordelijkheid nemen en zelfredzamer zijn. Het waterschap zal maatschappelijke initiatieven die bijdragen aan duurzaam waterbeheer stimuleren.

Nieuwe uitdagingen

Verschillende maatschappelijke ontwikkelingen zorgen voor nieuwe uitdagingen in het waterbeheer. De vergrijzing, informatietechnologie, de toegenomen welvaart in combinatie met klimaatveranderingen zorgen voor nieuwe opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwatervoorziening en waterkwaliteit. Grenzeloze, verbindende samenwerking staat hierbij centraal. Het waterschap zoekt voortdurend naar een optimale balans tussen de te realiseren opgave en de maatschappelijke lasten die hiermee gemoeid zijn.

Duurzaam en vernieuwend

Gelet op de diverse uitdagingen is het nodig om vernieuwend aan de slag te gaan. Met als belangrijke inzet om de lasten voor de toekomst niet te sterk te laten stijgen. Het waterschap heeft aandacht voor zowel technische vernieuwingen als sociale en procesgerichte vernieuwingen. Voorbeelden hiervan zijn de procesautomatisering van rioolwaterzuiveringen, het deelnemen aan regionale netwerken zoals de ‘Biobased Delta’ en het meer risico-gestuurd beheren en onderhouden van alle bezittingen.

Het waterschap is een organisatie die duurzaam wonen en werken wil ondersteunen door een duurzaam waterbeheer. Inzet is een gezonde leefomgeving voor mens, plant en dier. Het waterschap werkt met u en voor u aan droge voeten, voldoende water, schoon water, gezonde natuur en bevaarbare rivieren. Met andere woorden: doelmatig waterbeheer als motor voor een economische en ecologische krachtige regio.

Er is meer dan alleen duurzaam waterbeheer. Ook als het gaat om energie, vervoer en inkoop van materialen wil het waterschap verantwoord handelen en daarmee een inspirerend voorbeeld zijn voor anderen. Dit leest u allemaal in dit nieuwe waterbeheerplan. Een plan om trots op te zijn en om samen voortvarend mee aan de slag te gaan!

Carla Moonen

Dijkgraaf

Foto dijkgraaf

1. Inleiding

Water is van levensbelang voor mens, plant en dier. Het verbindt mensen en bedrijven, doordat iedereen er op de een of andere manier gebruik van maakt. Voldoende water van een goede kwaliteit is belangrijk voor de volksgezondheid, landbouw, natuur, recreatie, logistiek, industrie en de drinkwatervoorziening. Investeren in meebewegen met natuurlijke processen (‘bouwen met de natuur’) loont. Het stimuleert duurzame economische ontwikkeling en brengt mensen samen, bijvoorbeeld in de ‘strijd’ tegen de gevaren van het water

Waterschap Brabantse Delta verzorgt het waterbeheer in Midden- en West-Brabant. Dit gebied is een onderdeel van de Rijn-Schelde-Maas-Delta met de mainports Rotterdam, Moerdijk en Antwerpen. Aan deze strategische ligging ontleent het gebied enorme kracht en potentie. De regio is goed ontsloten via weg, water, buis en spoor. Door de diversiteit van steden, de pracht van dorpen en buitengebieden, en de afwisselende natuur- en waterlandschappen kent het gebied een hoogwaardige kwaliteit van leven.

Het waterschap richt zich op een goede uitvoering van de wettelijke taken rondom waterveiligheid, waterkwaliteit en watersysteembeheer. Daarbij houden we rekening met de toekomstbestendigheid van het watersysteem (met oog voor klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging). Dit doen we voor de burgers, bedrijven en organisaties in ons werkgebied. Vanuit een open bestuurscultuur betrekken we hen volop bij het waterbeleid, de planontwikkeling en de uitvoering. Eigenaren en gebruikers van (landbouw- en natuur)gronden spelen hierbij een belangrijke rol.

Bij de uitvoering van de wettelijke kerntaken geven we ruimte aan (samenwerkingsverbanden van) individuele burgers, bedrijven en organisaties. Ook faciliteren we burgerinitiatieven die passen bij onze plannen.

We zoeken samen naar mogelijkheden om de uitvoering van onze wettelijke taken te combineren met taken en wensen van anderen; de zogenoemde meekoppelkansen. We zien veel mogelijkheden om functies slim te combineren. Een randvoorwaarde is dat dit niet leidt tot hogere waterschapsbelastingen dan het geval zou zijn zonder combinatie met andere functies.

Waterschap Brabantse Delta zorgt er samen met burgers, ondernemers en overheden in Nederland en Vlaanderen voor dat water voor iedereen een toegevoegde waarde blijft hebben. Het waterschap voert daarbij het beheer over het watersysteem en de afvalwaterketen. Het gaat dan over verschillende onderdelen:

  • het watersysteem, bestaande uit het samenhangende geheel van oppervlaktewater en ondiep grondwater, inclusief kunstwerken zoals pompen en stuwen; het beheer gaat dan over de waterkwaliteit en de waterkwantiteit: over de stoffen in het water, de planten en dieren in en langs het water en over aan- en afvoer van water en het regelen van de waterstanden.

  • de dijken (waterkeringen) langs de grote en kleine rivieren;

  • de rioolwaterzuiveringsinstallaties, inclusief de bijbehorende pompen en transportleidingen (samen met de gemeentelijke riolering onderdeel van de afvalwaterketen);

  • de regionale vaarwegen voor beroeps- en recreatievaart.

Vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water heeft het waterschap de verplichting om het watersysteem kwalitatief op orde te brengen. De maatregelen zijn opgenomen in de Stroomgebiedbeheerplannen voor de Maas en de Schelde. De maatregelen worden aangemerkt en beschouwd als deel uitmakend van onze wettelijke kerntaken. We behalen de water(systeem)doelen met beheer- en inrichtingsmaatregelen als de aanleg van ecologische verbindingszones, beek- en kreekherstel, de inrichting van natte natuurparels en vispassages.

Het waterschap zal bij de programmering van deze maatregelen in de planperiode 2016 – 2021 waar mogelijk prioriteit geven aan deelgebieden waar ook een opgave ligt op het gebied van veiligheid en/of wateroverlast. We zetten in om deze inrichtingsmaatregelen gelijkmatig te realiseren over de twee Kaderrichtlijnwaterperiodes tot en met 2027.

Het waterschap stelt beleidskaders vast, bedient en onderhoudt de infrastructuur, voert verbeteringswerkzaamheden uit, reguleert activiteiten van anderen en controleert op de naleving van landelijke en provinciale regels.

Transparantie voor iedereen

Dit plan geeft helderheid over het waterbeheer in de toekomst en is geschreven voor ondernemers, burgers, overheden, en andere samenwerkingspartners. Het is afgestemd op de gemeentelijke en provinciale plannen op het gebied van waterbeheer. Dit waterbeheerplan is bovendien het resultaat van een dialoog tussen alle verschillende partners die belang hebben bij goed waterbeheer. Het plan geeft inzicht in de doelen die het waterschap de komende zes jaar wil bereiken Het bevat een overzicht van de voorgenomen maatregelen voor het voldoen aan de doelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn Water. Bestuurders en ambtenaren van het waterschap gebruiken het waterbeheerplan als leidraad voor de uitvoering van hun werk.

De transparantie over het werk van het waterschap is belangrijk. Juist omdat voor een optimaal en betaalbaar waterbeheer, inspanning nodig is van iedereen. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan wat het waterschap doet en waar het iets van anderen vraagt.

Ambitie: een bestendige koers met nieuwe accenten

De langetermijnstrategie uit het voorgaande beheerplan wordt voortgezet voor de verschillende thema’s, zoals waterkwaliteitsverbetering, vermindering van de kans op wateroverlast en verdrogingsbestrijding. Zo vaart het waterschap een toekomstbestendige koers. Daarnaast geven diverse ontwikkelingen aanleiding tot nieuwe accenten, waaronder het Deltaprogramma.

Nieuwe accenten in dit plan zijn:

  • de versterking van de primaire en regionale keringen (de dijken langs de Rijkswateren en langs de regionale rivieren);

  • inzet op waterbewustwording van watergebruikers: het waterschap wil investeren in het vergroten van inzicht in eigen handelingsperspectief;

  • helder zijn over de beperkingen en mogelijkheden die er vanuit het watersysteem zijn voor de gebruiksfuncties;

  • een meer integrale, gebiedsgerichte uitvoeringsstrategie (combineren van optimaliseren peilbeheer en inrichtingsmaatregelen);

  • dynamisch waterbeheer: flexibel beheer op basis van actuele informatie over de situatie in het gebied en de regionale verschillen daarin.

Anders dan het vorige waterbeheerplan beschrijft dit plan niet alleen het beheer van het watersysteem, maar ook het beheer van de zuiveringen en de bijbehorende transportstelsels. De algemene term ‘waterbeheer’ kan daarbij dus breed worden opgevat.

Dialoog met waterpartners

Voorafgaand aan het opstellen van dit plan is het waterschap in dialoog gegaan met samenwerkingspartners in het gebied (deelnemers, zie bijlage 2). Hierbij heeft het waterschap partners uitgedaagd om aan te geven wat zij zelf willen doen op het gebied van waterbeheer. Per slot van rekening is niet alleen het waterschap actief op dit gebied: samen houden we het duurzame waterbeheer betaalbaar. De dialoog heeft tot ideeën geleid die in de uitvoeringsstrategie zijn verwerkt. Nieuwe accenten die de partners van het waterschap vragen kunnen worden samengevat in twee hoofdlijnen.

De eerste hoofdlijn is: meer integrale aanpak en aandacht voor het grotere geheel. Dit geldt zowel voor het watersysteem als voor de afvalwaterketen. Voor het watersysteem is er de behoefte om de maatregelen voor natuurontwikkeling veel meer in samenhang te beschouwen met de optimalisatie van het peilbeheer in het landelijk gebied. Dit komt terug in de integrale uitvoeringsstrategie van dit plan, waarbij samenwerking wordt gezocht met onder andere bedrijven, landbouworganisaties, terreinbeheerders en gemeenten. In de afvalwaterketen is er behoefte aan meer samenwerking met en tussen bedrijven en drinkwaterbedrijven, aanvullend op de samenwerking met gemeenten: een verbreding van de afvalwaterketen naar de gehele waterketen (dus inclusief het productieproces).

Het waterschap wordt als een belangrijke verbinder (initiator) gezien tussen de verschillende actoren in de afvalwater- en productieketen. Er is draagvlak om samen de meest maatschappelijk verantwoorde oplossingen te realiseren. Er moet geen sprake meer zijn van “wij” en “zij”, of moeten kosten zomaar worden doorgeschoven naar anderen in de keten (afwenteling). Soms kunnen maatregelen vooraan in de keten effecten hebben op het eind van de keten en andersom. Alleen door samenwerking kunnen winsten in geld en in duurzaamheid worden gevonden.

De tweede hoofdlijn is: het versterken van de maatschappelijke betrokkenheid. Het waterschap heeft veel meer expertise in huis dan partners zich realiseren. De wens is: maak het makkelijker voor partners om hier gebruik van te maken. Omgekeerd kan het waterschap meer gebruik maken van de gebiedskennis en expertise van partners. Zorg voor transparante en brede communicatie en werk ook regionaal samen op het gebied van opleiding en educatie. Neem een meer open houding aan in samenwerking: geef anderen de kans om meerwaarde te leveren (ook vrijwilligers) en durf je programmering van maatregelen ook aan te passen aan initiatieven van anderen.

Deze twee hoofdlijnen heeft het waterschap verwerkt in dit plan.

Opbouw: van visie op 2030 naar doelen voor 2021

Vanuit een visie op de toekomstige uitdagingen geeft dit plan de doelen aan voor het waterbeheer voor de periode 2016-2021. Niet alle dromen zijn te realiseren. Het waterschap zoekt daarom een goede balans tussen de te realiseren opgave en de maatschappelijke lasten die hiermee gemoeid zijn.

Het plan is opgezet vanuit de maatschappelijke toegevoegde waarde van het waterbeheer. De beschrijving van de doelen van het waterbeheer vormt het centrale deel van dit plan (hoofdstuk 3: doelenwijzer). Hierbij komen de volgende invalshoeken aan bod:

Risico’s beheersen: Het werk van het waterschap is gericht op het beheersen van risico’s voor de mensen, de bedrijven en het (water)milieu en zo de kwaliteit van leven te behouden en waar nodig te verbeteren voor de huidige en toekomstige generaties. Deze invalshoek gaat uit van de huidige gebruiksfuncties en van de gemaakte afspraken over acceptabele risico’s (vastgelegd in wet- en regelgeving of in convenanten).

Duurzame ontwikkeling: Het waterbeheer is ook gericht op het ondersteunen van een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. Het gaat dan om het gebruik van de openbare ruimte en economische en natuurontwikkelingen. Werken aan een robuust beheer van het watersysteem en de afvalwaterketen is van toegevoegde waarde voor al deze ontwikkelingen.

Maatschappelijk verantwoord en vernieuwend: Er zijn diverse maatschappelijke ontwikkelingen die om verantwoorde keuzes vragen. Dit plan geeft aan welke rol het waterschap kiest in verschillende maatschappelijke thema’s, zoals energie en de ontwikkelingen in de gezondheidszorg. Ook wil het waterschap de maatschappelijke betrokkenheid vergroten.

Effectief en efficiënt: Het waterschap streeft naar een goede kwaliteit van het werk tegen zo laag mogelijke kosten en een minimale kwetsbaarheid. Samenwerking met diverse partnerorganisaties en het stimuleren van initiatieven van burgers en ondernemers zijn daarbij van groot belang.

Hoofdstuk 4 (uitvoeringsstrategie) geeft een meer concrete invulling van de integrale doelen voor de verschillende beheertaken.

Het waterbeheer blijft in beweging

Het waterbeheerplan neemt de huidige situatie als uitgangspunt en kijkt vooruit naar de lange termijn. Daarbij houden we rekening met de mogelijke ontwikkelingen in de toekomst. Het plan geeft de beleidskaders voor het beheer in de periode 2016-2021. Het is een plan op hoofdlijnen. Net als water zelf blijft ook de samenleving, het klimaat en ons eigen waterbeheer steeds in beweging. In zes jaar tijd kan er veel veranderen. Het kan daarom nodig blijken om de uitvoeringsstrategie tussentijds bij te stellen, om zo toch de gestelde doelen te kunnen realiseren. Dat gebeurt in de jaarlijkse Kadernota. In dat document stelt het bestuur elk jaar de uitvoeringsstrategie bij en actualiseert deze. Een goede monitoring van resultaten is nodig om te kunnen beoordelen of het beleid bijgesteld moet worden. In hoofdstuk 5 wordt hierop ingegaan.

Procedure

Het ontwerp van dit waterbeheerplan heeft ter inzage gelegen van 12 januari tot en met 23 februari 2015. Het waterschap heeft 34 zienswijzen ontvangen. Naast steun voor de gevoerde partnerdialoog en de voortzetting ervan in de planperiode zijn er verschillende verzoeken gedaan om het waterbeheerplan op onderdelen te verduidelijken en/of een aantal correcties aan te brengen. Een twaalftal zienswijzen betreft een ervaren wateroverlastprobleem in het buitengebied van Standdaarbuiten. Een aantal insprekers heeft suggesties gedaan voor samenwerking.

De zienswijzen en de wijze waarop het waterschap deze heeft verwerkt zijn te raadplegen in de Nota van antwoord. Op basis van de verzoeken zijn de tekst en de bijlagen op onderdelen verduidelijkt en zijn geconstateerde onjuistheden gecorrigeerd. De Nota van antwoord bevat een overzicht van alle doorgevoerde wijzigingen (technisch-inhoudelijke correcties en aanpassingen als gevolg van de zienswijzen) ten opzichte van het ontwerp plan.

Met dit waterbeheerplan 2016 – 2021 wordt het eerder vastgestelde beleid geactualiseerd. Het gaat dan om het ‘Waterbeheerplan 2010-2015’ en het ‘Ontwikkelprogramma naar een robuust beheer en verantwoorde bedrijfsvoering in 2020’.

2. Waterbeheer als motor voor een krachtige regio

De regio Midden- en West Brabant heeft zich de afgelopen jaren sterk ontwikkeld tot de vierde economische regio van Nederland. Het is een regio geworden waarin internationale bedrijven zich graag vestigen. Niet alleen vanwege de strategische positie tussen wereldhavens als Rotterdam en Antwerpen, maar ook omdat het gebied een goede woon- en leefomgeving is voor hun werknemers. Het water heeft een belangrijke rol gespeeld in deze ontwikkeling en zal dit blijven doen. Denk bijvoorbeeld aan de West-Brabantse waterlinie, de diverse turfvaarten en de ligging van de grote steden aan de grotere wateren. Ook de lange afvalwaterpersleiding naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie Bath is nog steeds van belang voor de Moerdijkse Haven. De algemene kenmerken van het watersysteem met de dijken en de afvalwaterketen zijn beschreven in bijlage 1 en weergegeven op de kaarten 3 tot en met 8.

Foto grondgebonden landbouw

Door trends en ontwikkelingen veranderen wensen, behoeften en mogelijkheden van mensen en organisaties. De omgeving van het waterschap verandert en dat betekent dat het waterschap mee moet veranderen. De eerste paragraaf van dit hoofdstuk schetst het belang van verschillende ontwikkelingen voor het regionale waterbeheer. In de tweede paragraaf wordt een visie gegeven over hoe het robuuste beheer van het watersysteem en de afvalwaterketen er in 2030 uit zou kunnen zien. Daarbij is gebruik gemaakt van diverse documenten die al eerder samen met partners zijn vastgesteld, zoals de ruimtelijke visie voor 2030, de krekenvisie en de strategische agenda voor 2020. Ook zijn de meest actuele structuurvisies benut om een beeld te krijgen van de regionale ruimtelijke ontwikkelingen.

In paragraaf 2.3 wordt specifiek ingegaan op de Deltabeslissingen die het Rijk in 2014 heeft genomen, omdat ze doorwerken in het nieuwe beleid voor het regionale waterbeheer.

2.1 Uitdagingen voor de toekomst

De Nederlandse regering heeft de ambitie om van een klassieke verzorgingsstaat te veranderen naar een participatiesamenleving waarin burgers meer eigen verantwoordelijkheid nemen en zelfredzamer zijn (zie ook de Troonrede van 2013). De wens van de overheid om terug te treden komt enerzijds voort uit zorgen over de vrijheid van burgers (die op dit vlak beperkt is geweest) en de verhouding tussen overheid en samenleving. Anderzijds is de wens geboren uit de noodzaak om op nationaal niveau te bezuinigen. Tegelijkertijd zien we als waterschap nieuwe uitdagingen, bijvoorbeeld als gevolg van klimaatverandering. Deze uitdagingen leiden ertoe dat de opgaven voor het waterbeheer toenemen. In het licht van deze ontwikkelingen en de nieuwe opgaven blijft het waterschap steeds zoeken naar de juiste rol en houding: enerzijds loslaten en ruimte bieden en anderzijds het robuust en duurzaam beheer van het watersysteem en de afvalwaterketen waarborgen.

Vergrijzing

Een andere belangrijke ontwikkeling is de ontgroening en vergrijzing. De komende dertig jaar neemt volgens de prognose van het CBS/PBL het aantal 65-plussers met 1,7 miljoen personen toe (een groei van 60%), terwijl het aantal 80-plussers zelfs verdubbelt (van 700.000 naar 1,4 miljoen personen). De ontgroening, de afname van de bevolking in de actieve levensfase en de toename van het aantal ouderen (die bovendien een hogere levensverwachting hebben), brengt veranderingen met zich mee. Denk aan de wijziging van de samenstelling van huishoudens (meer eenpersoonshuishoudens), uittreding van de arbeidsmarkt en daarmee verlies van specifieke kennis en een groter beroep op de zorg. Het waterschap verwacht dat dit ook zal leiden tot een toename van medicijnresten in het afvalwater. Ook de participatie van kansarme groepen in het arbeidsproces wordt belangrijker.

Informatietechnologie

Ook op het gebied van informatie- en communicatietechnologie blijven de ontwikkelingen elkaar in snel tempo opvolgen. Het waterschap wil nieuwe mogelijkheden zo goed mogelijk benutten. Zo versterken we het contact met burgers en andere belanghebbenden en vergroten we de zichtbaarheid van het waterschapswerk. Daarnaast bieden deze ontwikkelingen mogelijkheden om het werk makkelijker te maken. Zo worden steeds meer mobiele applicaties gebruikt bij het werk in het veld. Ook de komende jaren zullen de ontwikkelingen op dit vlak elkaar in snel tempo blijven opvolgen. Het waterschap is hier alert op en probeert deze in te zetten ten gunste van het waterschapswerk (onder andere met het programma dienstverlening).

Technologische ontwikkelingen hebben echter ook sociale consequenties. Informatie wordt steeds makkelijker en sneller beschikbaar. Met de opkomst van de sociale media wordt de publieke opinie sterker beïnvloed. Dit vraagt van het waterschap meer openheid en transparantie en om meer interactie met de omgeving. Tegelijkertijd worden risico’s steeds minder gemakkelijk geaccepteerd en kan er een ‘claimcultuur’ gaan ontstaan. Het waterschap wil daarom transparant zijn over het eigen voorzieningenniveau: tot hoe ver gaat onze zorg? Aan de andere kant bieden technologische ontwikkelingen ook mogelijkheden om via social media en andere moderne communicatiemiddelen burgers in beweging te krijgen bij het delen van kennis en expertise, bijvoorbeeld met crowd sourcing.

2.2 Ruimtelijke ontwikkelingen in de regio

Wat zijn de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio en wat is hun relevantie voor de waterthema’s in dit waterbeheerplan? Om die vraag te beantwoorden heeft het waterschap een analyse uitgevoerd over de bestuurlijk vastgestelde ruimtelijke prognoses (2020 – 2030) en de ruimtelijke ontwikkelingen uit structuurvisies. Dit beeld is in afstemming met het regionale ruimtelijk overleg (RRO) tussen gemeenten, waterschap en provincie tot stand gekomen.

Deze ruimtelijke trends leiden voor het waterbeheer tot zes focusgebieden, ieder met een eigen accent. In deze gebieden raakt het waterbeheer nadrukkelijk ruimtelijke en ruimtelijk-economische ontwikkelingen (zie kaart 9). Door de invulling van de watermaatregelen daarop af te stemmen, draagt het waterschap bij aan de regionale ontwikkeling van Midden- en West-Brabant. Hier volgt een toelichting op de verschillende ontwikkelingen. Deze is mede gebaseerd op de strategische agenda die met het samenwerkingsverband ‘Regio West-Brabant’ is opgesteld (www.west-brabant.eu).

Agrarische sector

De grondgebonden landbouw neemt een belangrijke positie in. Verreweg het grootste deel van het landelijk gebied wordt in feite beheerd door agrariërs. Mede daarom is het van groot belang dat het voortbestaan van de landbouw in de regio gewaarborgd blijft. In de agrarische sector is al een tijd een trend waarneembaar van schaalvergroting van agrarische bedrijven en van intensivering van teelten. Deze trend zal zich nog enige tijd voortzetten en speelt vooral in bepaalde streken van de regio, bijvoorbeeld in Zundert en de gemeenten rondom Zundert (aarbeienteelt, boomteelt) en rondom Dinteloord (glastuinbouw). De intensivering van melkveehouderij speelt vooral in het gebied van de Donge (regio rond Alphen).

Deze ontwikkelingen betekenen enerzijds een toenemende druk op het watersysteem (wateroverlast, droogte, watervraag, waterkwaliteit), anderzijds brengen (technologische) ontwikkelingen in de land- en tuinbouw ook weer mogelijkheden met zich mee om hier beter mee om te gaan. Denk bijvoorbeeld aan gedeeltelijk grond-ongebonden teelt van aardbeien. Het waterschap ziet de ruimtelijke ontwikkelingen als kans voor een robuustere inrichting: minder kapitaalintensieve teelten op plekken met risico’s op wateroverlast en meer ruimte voor het langer vasthouden of tijdelijk bergen van water in de peilbeheerste gebieden.

Stedelijke ontwikkeling (demografische transitie)

In Midden- en West-Brabant zal de samenstelling van de bevolking de komende jaren veranderen door de vergrijzing. De beschikbaarheid van personeel komt hierdoor dus onder druk te staan. Een ander gevolg van de vergrijzing is een groeiende behoefte aan goede en passende voorzieningen op het gebied van zorg en welzijn. Deze demografische transitie brengt verder met zich mee dat de vraag naar woningen zal veranderen: van kwantitatief naar kwalitatief, naast een toenemende vraag naar tijdelijke huisvesting.

Er zullen hooguit nog enkele uitbreidingslocaties worden gebouwd. Wat nu in de planning zit wordt nog afgemaakt. De woningbouwopgave voor de komende jaren zal bestaan uit inbreiding (herontwikkeling en verdichting van bestaande wijken) en de vernieuwing van bestaande woningvoorraad binnen de bebouwde kom. De herontwikkeling van bestaand stedelijk gebied biedt nieuwe kansen om bestaande knelpunten in de stad op te lossen én te anticiperen op klimaatontwikkelingen via ruimtelijke adaptatie.

Bedrijvigheid (economische transitie)

De regio heeft een sterke positie in de economische clustervorming op het gebied van onderhoud (Maintenance Valley), logistiek/transport en Biobased Economy (economie die niet langer afhankelijk is van fossiele brandstoffen) en agro-food. De vergrijzing maakt de zorgsector tot een groeisector en ook de vrijetijdssector en de agrosector kunnen de regio enorme impulsen geven.

Onderhoud (maintenance)

Maintenance is een multidisciplinaire en crosssectorale activiteit, die alleen op wereldniveau is te brengen door een goede en duurzame samenwerking tussen alle spelers. Daarbij gaat het om eigenaren, leveranciers, onderhouders, onderwijs- en onderzoekinstellingen en overheden (nationaal, regionaal en lokaal). Alleen gezamenlijk kunnen zij kennis ontwikkelen en benutten om efficiënt, effectief en slimmer onderhoud uit te voeren tegen minimale kosten. Daarmee maakt de regio maintenance tot een internationaal exportproduct. Het waterschap deelt deze visie (paragraaf 3.4 effectief en efficiënt samenwerken).

Logistiek

Moerdijk wordt, als vierde zeehaven van Nederland, in de Havenvisie van Rotterdam gezien als de locatie die zich verder kan ontwikkelen tot een sterk logistiek knooppunt. Daarnaast spreekt men de verwachting uit dat in West-Brabant meer droge bedrijventerreinen komen waar logistieke bedrijven en toeleveranciers zich vestigen.

Biobased Economy

In 2015 is West-Brabant met de Green Chemistry Campus goed op weg om tot de top-3 regio’s in Europa te gaan behoren binnen de Biobased Economy. De focus is vooral gericht op ‘Agro meets Chemistry’, waarbij agroreststromen geschikt worden gemaakt voor chemietoepassingen, zoals bioplastics of andere eindproducten. Maar ook door de opwekking van duurzame energie (wind, zon, biomassa, restwarmte en vergisting) kunnen land- en tuinbouw en de verwerkende industrie een bijdrage leveren. Het verwerken van landbouwproducten voor een Biobased Economy in de directe omgeving van de agrarische bedrijven kan bijdragen aan het vitaal houden van het landelijk gebied in onze regio.

Het waterschap participeert in dit regionale ‘Biobased Delta’ netwerk. Een eerste resultaat is een proefproject voor de productie van bioplastics uit afvalwater op de zuiveringsinstallatie in Bath. Dit project stimuleert het denken in kringlopen. De optimalisatie van dergelijke kringlopen noemen we ook wel de circulaire economie. De inzet is om kringlopen op basis van fossiele brandstoffen waar mogelijk te vervangen door duurzamere, gesloten kringlopen. De ambities van het waterschap voor de circulaire economie staan beschreven in paragraaf 3.3.1.

Vrijetijdssector

De kwaliteit van de leefomgeving wordt steeds belangrijker als criterium voor het wel of niet vestigen van een nieuw bedrijf. Werkgevers willen dat werknemers in een prettige omgeving, vlakbij het werk, kunnen wonen. Dat stimuleert een goede gezondheid en betere werkprestaties. Recreatieve mogelijkheden voor voldoende ontspanning vlak naast de woonomgeving is daarmee indirect een belangrijke vestigingsplaatsfactor voor grote bedrijven. Midden- en West-Brabant onderscheiden zich op dat vlak dankzij de combinatie van waardevolle natuurgebieden, grotere wateren als het Volkerak-Zoommeer, de deltarandmeren Binnenschelde en Markiezaatsmeer en cultuurhistorische elementen (de West-Brabantse Waterlinie). De toenemende behoefte aan ontspanning buiten werktijd betekent ook dat recreatie steeds belangrijker wordt. Niet alleen als een vestigingsplaatsfactor, maar zeker ook als zelfstandige bedrijfstak in Midden- en West-Brabant.

Transport en logistiek

Door het toenemende goederenvervoer over de weg vanuit de Rotterdamse haven zullen bepaalde wegvakken op de A58, A17, A27 en A59 verder dichtslibben. Om de druk op wegvervoer te verminderen is een stelsel van inlandse terminals nodig, waar activiteiten naar verplaatst worden die niet noodzakelijkerwijs in de zeehaven moeten plaatsvinden, zoals inklaren van goederen en opslag van containers. Er zijn al dergelijke terminals in Oosterhout en Bergen op Zoom. Deze ontwikkelingen leiden niet direct tot veel nieuwe bedrijventerreinen, maar vooral tot herstructurering van bestaande bedrijventerreinen, zoals onder andere in Tilburg en Breda te zien is (zie kaart 9).

In de planperiode van dit waterbeheerplan zal de tracé-wetprocedure voor de verbreding van de A27 vanaf knooppunt Hooipolder starten. De verbreding van de A27 brengt ook lokale ingrepen aan het watersysteem met zich mee. Bij de uitvoering van dit waterbeheerplan wordt daarmee zo veel mogelijk rekening gehouden.

In de Logistieke Agenda Brabant en de regionale ambities voor duurzaam multimodaal transport krijgt goederenvervoer over de West-Brabantse vaarwegen steeds meer aandacht.

Natuur

De afgelopen periode is de nodige natuur gerealiseerd. Een belangrijke trend is de verschuiving van “de aanpak van verwerving en inrichting van natuurgebieden” naar “meer verweven natuur door andere vormen van natuurbeheer, zoals particulier (agrarisch) natuurbeheer”. Hiermee neemt de verwevenheid van functies toe, waarmee we in het operationeel waterbeheer rekening moeten houden. Daarnaast neemt op sommige plaatsen de verwevenheid van hoogwaardige natuur (natte natuurparels) met hoogwaardige land- en tuinbouw (bijvoorbeeld boomteelt) steeds verder toe, bijvoorbeeld in omgeving Zundert. Dat vergroot de opgave voor het waterbeheer.

Ook komt er steeds meer oog voor het dynamische karakter van natuurwaarden. Het nieuwe natuurbeleid van de provincie geeft daar al invulling aan door flexibeler met natuurdoelen en de begrenzingen van nieuwe natuur om te gaan. Ook besteden we steeds meer aandacht aan het meebewegen van natuur met de klimaatontwikkelingen. Rondom de steden zien we een toenemende behoefte aan beleefbare natuur waarin gerecreëerd kan worden, zoals in de zone Etten-Leur, Breda, Oosterhout en rondom Roosendaal en Bergen op Zoom.

2.3 Deltaprogramma

Het klimaat en de sociaaleconomische situatie veranderen. Nederland is de best beveiligde delta in de wereld. Toch is ook onze delta kwetsbaar. Door de bevolkingstoename én de toegenomen welvaart is de behoefte aan waterveiligheid sterk toegenomen ten opzichte van het midden van de vorige eeuw. Dat heeft zich vertaald in een grotere waterveiligheidsopgave. In het kader van het Deltaprogramma zijn daarom voor de primaire keringen nieuwe normen afgeleid, ter vervanging van de vastgestelde normen naar aanleiding van de stormvloedramp in 1953. Deze nieuwe normen zullen in de periode 2025-2050 tot grote inspanningen leiden, aanvullend op de huidige opgave voor de primaire en regionale keringen.

Daarnaast kan zoet water in droge perioden vaker en langduriger een schaars goed worden. Dit is niet alleen het gevolg van langere en meer droge perioden in de regio, ook de aanvoer van de rivieren Rijn en Maas kan vaker en langduriger onder een bepaald niveau komen. Hierdoor zal de inlaat van water in het gebied tijdelijk moeten worden gestaakt, omdat andere watergebruikers van het hoofdwatersysteem voor gaan.

Het Deltaprogramma is gericht op het voorkomen van toekomstige rampen door middel van het zodanig robuust (her)inrichten van Nederland dat we de extremen van het klimaat zo goed mogelijk kunnen opvangen. Het Deltaprogramma werkt daarmee aan een leefbaar, bewoonbaar en economisch sterk Nederland. De deltabeslissingen zijn opgenomen in het Deltaprogramma 2015 (www.deltacommissaris.nl/deltaprogramma).

Er zijn vijf deltabeslissingen, waarvan er vier relevant zijn voor het waterschap: 1.) waterveiligheid, 2.) zoetwater, 3.) ruimtelijke adaptatie, 4.) Rijn-Maasdelta.

Foto werkzaamheden overdiepse polder

Deltabeslissing waterveiligheid (1)

Het Rijk heeft besloten om de nieuwe normen voor dijken voortaan te baseren op risico’s. Hierbij heeft elk beschermingsniveau een eigen norm per dijktraject, die in verhouding staat tot de mogelijke gevolgen bij een overstroming.

Tabel 1 bevat de normvoorstellen voor de dijktrajecten in de Brabantse Delta. Voor de dijktrajecten langs het Volkerak-Zoommeer zijn de normvoorstellen mede gebaseerd op de mogelijke inzet van het Volkerak-Zoommeer voor waterberging vanuit de grote rivieren (vanaf 2016). Het waterschap is voornemens het beheer van de dijk langs de westelijke oever van het Drongelens kanaal over te nemen van Rijkswaterstaat. Deze had voorheen een primaire (c-) status. In het kader van de wijziging van de Deltawet is vastgesteld dat een regionale status ook voldoet vanuit veiligheidsoverwegingen. Conform de in het Deltaprogramma gemaakte afspraken over de status van dijken zal deze dijk daarom een regionale status krijgen (met een norm van 1:150).

tabel 1 nieuwe normen

1) Bij de bepaling van deze norm is geanticipeerd op de verwachte klimaatverandering en de toename van de inzetfrequentie van het Volkerak-Zoommeer voor waterberging, van 1:1430 in 2016 naar 1:500 in 2050.

Deltabeslissing zoetwater (2)

Het Deltaprogramma 2015 stelt dat klimaatverandering, verzilting en sociaaleconomische ontwikkelingen kunnen gaan leiden tot grotere zoetwatertekorten. Daarom is het belangrijk dat overheden en watergebruikers afspraken maken over ieders verantwoordelijkheid voor de waterkwantiteit en –kwaliteit. De Deltabeslissing zoetwater introduceert hiervoor het begrip voorzieningenniveau. Het voorzieningenniveau is de beschikbaarheid van zoetwater in een bepaald gebied onder normale en droge situaties. In 2021 moeten voorzieningenniveaus zijn afgesproken en vastgelegd voor het hoofdwatersysteem en de regionale watersystemen. Daarmee wordt helder waar de verantwoordelijkheid van de overheid eindigt en wat watergebruikers zelf kunnen doen. Zo ontstaat transparantie, voorspelbaarheid en handelingsperspectief voor de watergebruiker.

Individuele of groepen gebruikers hebben een eigen verantwoordelijkheid om zich voor te bereiden op watertekort door bijvoorbeeld minder kwetsbare teelten te verbouwen of te accepteren dat het soms extreem droog is. Voorzieningenniveaus kunnen een belangrijke rol gaan spelen bij de keuze voor een vestigingsplaats van nieuwe landgebruiksactiviteiten. Het zijn nadrukkelijk geen normen en betreffen een wederzijdse inspanningsverplichting. Met de term ‘voorzieningenniveau’ wordt overigens niet alleen zoetwateraanvoer bedoeld. Het kan bijvoorbeeld ook gaan over het peilbeheer in de zandgronden of over zoutgehalten in het oppervlaktewater. Het voorzieningenniveau wordt bepaald voor een periode van 18 jaar. Indien nodig kan elke 6 jaar een herijking plaatsvinden.

Voor de zoetwatervoorziening in West- en Zuidwest-Nederland is de Biesbosch/Hollandsch Diep/Haringvliet een belangrijke strategische zoetwateraanvoerroute. Voor de periode tot 2050 kiezen Rijk en regio voor optimalisatie van de huidige zoetwatersystemen en van de aanleg van alternatieve aanvoerroutes (waaronder de ‘altijd-goed’ maatregel Roode Vaart). Het Rijk zal een systeemstudie uitvoeren naar de zoetwatervoorziening in de Rijn-Maasmonding. Hierbij wordt in beeld gebracht wat het effect is van de voorgenomen zoetwatermaatregelen en het ontwikkelperspectief voor een zout Volkerak-Zoommeer op het hoofdwatersysteem en de regionale zoetwaterinnamepunten. Voor de hoge zandgronden zetten Rijk en regio in op de voorkeursvolgorde: water conserveren (besparen en vasthouden) – beperkte extra aanvoer vanuit het hoofdwatersysteem – watertekorten accepteren en het landgebruik hierop aanpassen (adapteren). Op de hoge zandgronden in West-Brabant gaat het vooral om (meer) waterconservering en maatregelen die moeten leiden tot een robuuster watersysteem.

Het waterschap draagt in de planperiode substantieel bij aan de zoetwaterstrategie van het Deltaprogramma met maatregelen in het kader van de krekenvisie, het Deltaplan Hoge Zandgronden en de aanleg van een alternatieve zoetwateraanvoerroute via de Roode Vaart door het centrum van Zevenbergen met een verbinding naar het Mark-Vliet stelsel. Daarmee krijgen de poldersystemen, die nu nog afhankelijk zijn van zoet water uit het Volkerak-Zoommeer, een alternatieve aanvaarroute. Ook neemt het waterschap maatregelen om het zout buiten de deur te houden, zoals extra doorspoeling bij de sluizen.

Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie (3)

Met het oog op klimaatverandering is het belangrijk het bebouwde gebied minder kwetsbaar te maken voor extreme weersituaties en om de mogelijke schade bij overstromingen te beperken. Daarom moet een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting in Nederland een vanzelfsprekend onderdeel van de ruimtelijke (her)ontwikkelingen worden. In de periode tot 2021 leggen overheden en marktpartijen hun ambities en werkwijzen vast. De watertoets blijft hierbij een belangrijk wettelijk instrument op basis waarvan het waterschap wateradviezen geeft. Met gemeenten ontwikkelt het waterschap een plan van aanpak voor de uitwerking van de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie in de stedelijke gebieden waar er een klimaatadaptatieopgave ligt. Hierbij worden meekoppelkansen met de verschillende wateropgaven verkend.

Deltabeslissing Rijn-Maasdelta (4)

Voor de lange termijn (tot 2100) is een afvoer van maximaal 18.000 m3/s (Rijn) en 4.600 m3/s (Maas) het uitgangspunt voor de waterveiligheid. Tot 2050 handhaaft het Rijk de beleidsmatig vastgestelde afvoerverdeling over de Rijntakken tot 2050. In 2017 beslist het Rijk of de wijziging van de afvoerverdeling na 2050 als mogelijkheid open blijft of vervalt. Dat gebeurt in overleg met provincies en waterschappen en op basis van aanvullend onderzoek. De Rijn-Maasdelta wordt ook op lange termijn beschermd met een afsluitbare open stormvloedkering in de Nieuwe Waterweg. Er zal onderzocht worden hoe de effectiviteit van de bestaande Maeslantkering verbeterd kan worden. In de Ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer concludeert het Rijk dat aanvullende waterberging op de Grevelingen geen aantrekkelijke oplossing is om de waterveiligheid rond Hollandsch Diep, Haringvliet en de Merwedes in de toekomst op orde te houden. Alternatieven zoals dijkversterking blijken daarvoor kosten-effectiever te zijn (www.rijksoverheid.nl/documenten).

Ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer

Met de Ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer schetst het kabinet het ontwikkelperspectief voor de waterhuishoudkundige toekomst van beide wateren. Het beschrijft de wenselijke maatregelen in de periode tot eind 2028. De ontwerp-Rijksstructuurvisie stelt beperkte getijdewerking op de Grevelingen via een doorlaatmiddel naar de Noordzee (Brouwersdam) voor. Het zout maken van het Volkerak-Zoommeer met een beperkte getijdenwerking via een doorlaatmiddel naar de Oosterschelde (Philipsdam) wordt beschouwd als de meest structurele, duurzame oplossing voor bestrijding van blauwalgenbloei. Het zal tevens positief bijdragen aan het herstel van zeldzame estuariene natuurwaarden en de realisatie van kwaliteitsdoelstellingen uit de Kaderrichtlijn Water. Daarnaast ontstaan er kansen voor schelpdierteelt en regionale gebiedsontwikkeling.

De financiering van de voorgestelde maatregelen is nog niet voor 100% geregeld. Daarom heeft het Kabinet met het vaststellen van de ontwerp visie in oktober 2014 besloten om samen met regionale overheden en marktpartijen een innovatieve pilot uit te voeren voor publiek-private financiering Mede op basis van de resultaten van deze pilot zal het Kabinet in het voorjaar van 2016 een definitief besluit nemen over de voorgestelde maatregelen.

Volgens het waterschap kan en moet een zout Volkerak-Zoommeer goed samengaan met een robuuste zoetwatervoorziening in het gebied vanuit het Haringvliet/Hollands Diep. Hierbij geldt de randvoorwaarde ‘eerst het zoet, dan het zout’: het Volkerak-Zoommeer wordt pas zout gemaakt nádat de maatregelen voor de alternatieve zoetwatervoorziening en de compenserende maatregelen voor zoutlekbestrijding en –indringing zijn gerealiseerd. In West-Brabant hebben deze maatregelen betrekking op het Mark-Dintel-Vliet stelsel en de gebieden die in de huidige situatie hun zoetwater halen uit het Volkerak-Zoommeer: Prins-Hendrik Polder, Auvergnepolder en de Polders van Nieuw-Vosmeer. De compenserende maatregelen voor de zoutlekbestrijding in regionale wateren en polderwateren zouden voldoende effectief moeten zijn. Het zout maken van het Volkerak-Zoommeer is voorzien voor uiterlijk 2028. Tot die tijd dient het Rijk te voldoen aan de bestaande afspraken uit het Waterakkoord Volkerak-Zoommeer. Het waterschap gaat er daarom vanuit dat het Rijk in de tussenliggende periode passende maatregelen neemt om het zoutlek bij de Krammersluizen, of de gevolgen ervan, tegen te gaan.

Op basis van de ‘joint fact finding zoetwater’ concluderen Rijk en regio dat de leveringszekerheid van regionale innamepunten rondom het Volkerak-Zoommeer onder gemiddelde condities toeneemt ingeval van een alternatieve zoetwateraanvoerroute vanuit het Haringvliet/Hollandsch Diep. Innamestops door te hoog oplopende chloridegehaltes in het Volkerak-Zoommeer zijn dan verleden tijd, evenals Bovendien verdwijnt de dreiging van tijdelijke innamebeperkingen als gevolg van blauwalgbloei.

Bij extreme droogte en lage Rijn en Maasafvoeren kan de leveringszekerheid voor een aantal zoetwaterinnamepunten afnemen (waaronder de Roode Vaart). In het Deltaprogramma Zoetwater is daarom aanvullend onderzoek opgenomen naar eventueel verlies aan leveringszekerheid voor de inname van zoetwater vanuit het hoofdwatersysteem. Het Rijk zal dit onderzoek in overleg met de provincies en waterschappen uitvoeren. Op basis van de uitkomsten wordt bepaald in hoeverre er mitigerende en/of compenserende maatregelen moeten worden genomen om de leveringszekerheid niet te laten afnemen.

2.4 Visie op robuust beheer

Hoe zou het watersysteem in 2030 functioneren? Hoe is tegen die tijd het robuust beheer tot uiting gekomen? In deze paragraaf wordt een korte schets gegeven van het toekomstbeeld, dat is samengesteld uit verschillende vastgestelde beleidsdocumenten en visies. Het is een schets van een gewenste situatie op de middellange termijn. De mate waarin en de termijn waarop dit daadwerkelijk wordt gerealiseerd is afhankelijk van diverse factoren (financiële positie van het waterschap, economische ontwikkeling, actieve bijdragen van derden). De doelen van het waterschap voor de komende planperiode (hoofdstuk 3) zijn van deze visie afgeleid.

Dynamisch en robuust

Het beheer en de inrichting van het land en water is en blijft dynamisch. Het watersysteem en de afvalwaterketen kunnen tegen een stootje. Het systeem is in staat om verstoringen op te vangen, waardoor nieuwe ontwikkelingen geen bedreiging vormen. Dit geldt niet alleen voor klimaatontwikkelingen, maar ook op het gebied van bevolkingsgroei en bedrijvigheid. De zoetwatervoorziening is robuust, kwelstromen zijn hersteld, trekvissen zijn weer terug en afval wordt als grondstof benut. De natuurlijke variatie aan leefgebieden voor planten en waterinsecten is waar mogelijk hersteld. Mede doordat goed wordt omgegaan met de ondergrond (bodem en water), is het gelukt om de risico’s op schade aan mens, milieu en economie beperkt te houden: Doelen voor natuur en veiligheid zijn waar nodig aangepast op nieuwe klimatologische en maatschappelijke omstandigheden.

De onderlegger is leidend, men handelt waterbewust

Bij gebiedsontwikkelingen is men zich bewust van de mogelijkheden en risico’s van de ondergrond (bodem en water). Het water heeft als ordenend principe tot een robuuster ruimtegebruik geleid. De oppervlakte cultuurgrond is een belangrijke drager voor bodemwater. De grote variatie aan teelten levert een bijdrage aan biodiversiteit, met bijzondere aandacht voor weidevogels en bescherming van bijenkolonies. Dat geldt ook voor het agrarisch natuurbeheer langs waterlopen, wat door het Europese gemeenschappelijk landbouwbeleid wordt ondersteund.

In de regulerende en controlerende rol van het waterschap is er veel aandacht voor voorlichting en preventie. Watergebruikers weten wat ze van het waterschap kunnen verwachten. Het waterbeheer is een succes doordat de watergebruikers vaak waterbewust handelen. Gebruikers van dijken, zoals pachters, bewoners of wegbeheerders, weten dat ze ook zelf verantwoordelijk zijn voor het veilig houden van de dijken.

Een robuuste zoetwatervoorziening

In de peilgestuurde gebieden is er voldoende open water om goed om te kunnen gaan met lange perioden van droogte of neerslag. Het flexibele peilbeheer is afgestemd op de landbouw- én natuurwensen. In de zandgebieden is de opslagcapaciteit in de bodem optimaal benut door lokale en regionale waterconserverende maatregelen. De brede toepassing van peilgestuurde drainages maken het mogelijk om ook in deze gebieden in te spelen op de lange termijn weersverwachtingen. Extreme weersituaties worden niet langer als een calamiteit gezien.

Optimale kringlopen

Door de goede bodemkwaliteit spoelen er weinig stoffen uit naar het watersysteem en is de opbrengst in landbouwgebieden optimaal. Groenafval wordt structureel benut als een waardevolle stof voor een goed bodemleven. Een groot deel van het water van de rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s), zoals van rwzi Nieuwveer, wordt in de regio benut. In de regio rond Moerdijk is decentrale behandeling van afvalwater van de grond gekomen. De rwzi’s leveren een belangrijke bijdrage als producent van grondstoffen. De grote rwzi’s (Bath, Nieuwveer, Dongemond) spelen bovendien een rol in de regionale energievoorziening.

Trekvissen zijn weer terug

De trekvissen kunnen het regionale watersysteem weer goed vinden, mede dankzij de kier bij de Haringvliet sluizen. Zowel in het Mark-Vlietsysteem als de Donge zijn de watervoerende hoofdwaterlopen tot aan de brongebieden in Vlaanderen vrij optrekbaar voor trekvissen zoals de winde. Een aantal kreken hebben ook een migratieverbinding met de grote rivieren en vormen kleine kraamkamers voor riviervissen zoals de paling en de driedoornige stekelbaars.

Het grondwater is ook in 2030 een voorraad van voldoende en kwalitatief goed grondwater, voor menselijke consumptie (drinkwater en industrie), maar ook voor andere gebruiksfuncties, zoals de land- en tuinbouw. Daarnaast zijn ook op regionale schaal kwelstromen verbeterd, zodat er kwalitatief goed kwelwater in de natuurgebieden aan de oppervlakte komt. Dit is essentieel voor de gewenste biodiversiteit.

Verscheidenheid in kwaliteit

Het werkgebied van waterschap Brabantse Delta bestaat uit verschillende watersystemen. Elk gebied heeft een eigen kwaliteit en specifieke accenten op het waterbeheer.

We onderscheiden:

  •   •

    Gebieden met een belangrijke uitloopfunctie voor de nabijgelegen stedelijke gebieden. In die gebieden gaat een natuurlijke inrichting van het beekdal en polders hand in hand met (ongemotoriseerde) recreatieve mogelijkheden. Het gaat dan om deelstroomgebieden zoals de Ligne tussen Halsteren en Steenbergen, de Bovenmark ten zuiden van Breda, Rooskensdonk en Hoge Vugt tussen Breda en Oosterhout, en de Oude Leij bij Tilburg.

  •   •

    Gebieden met waardevolle natuurlijke kwaliteiten, zoals de zandgronden de Brabantse Wal, het Markiezaatsmeer, de Bijloop, de Chaamse beken en het Merkske. De verscheidenheid van de kreken, zoals benoemd in de krekenvisie, is ook tot uiting gekomen:

  • -

    Een gebied met een brak watersysteem: het Molenkreekcomplex. Dit kenmerkt zich door een brakke kwel uit de ondergrond. De kreek is daarom ook geïsoleerd van het landbouwwater.

  • -

    Een gebied met zoetwatergetijden: de Zwaluwse Haven, Vloedspui en het Gat van den Ham staan weer in open verbinding met de Amer. De getijdewerking dringt daarmee weer door in de oude kreekrestanten. Het gebied is daarmee een kraamkamer geworden voor riviervissen.

  • -

    Een gebied met bijzondere gradiënten: Het Lange Water. Door een open verbinding met het zoute Volkerak-Zoommeer en de aanvoer van zoet kwelwater uit de Brabantse Wal is een uniek gebied ontstaan met vier gradiënten: van zoet naar zout, van droog naar nat, van zand naar klei en van hoog naar laag.

  •   •

    Gebieden met cultuurhistorische waarden, zoals de Zoom en de Eldersche Turfvaart. In deze oude turfvaarten is de inrichting bepaald door de cultuurhistorische waarden. Binnen die randvoorwaarden wordt een ecologisch verantwoord beheer gevoerd. De elementen uit de West-Brabantse Waterlinie en de Zuiderwaterlinie worden benut in de robuuste waterhuishouding en vormen plekken waar men meer over het waterbeheer van toen en nu kan leren. Ook aardkundige waarden - zoals in de Cruijslandse kreken - zijn duidelijk in het landschap aanwezig. De combinatie van wielen en kreken geeft een fraai beeld van de geschiedenis van het polderlandschap.

  •   •

    Gebieden met intensieve landbouw zoals het stroomgebied van de Aa of Weerijs (boomteelt en aardbeienteelt), de bovenloop van de Donge (veehouderij) en de kleipolders (glastuinbouw en akkerbouw). In deze gebieden is het grondgebruik optimaal afgestemd op de draagkracht van het systeem. Het robuuste beheer van het watersysteem draagt bij een duurzame landbouwontwikkeling.

  •   •

    Gebieden met grensoverschrijdende laaglandbeken zoals de Kleine Aa/Molenbeek, de Mark, de Strijbeekse Beek, het Merkske en de Weerijsbeek/Aa of Weerijs. Deze beken worden samen met Vlaamse partners hersteld, beheerd en onderhouden. De afspraken uit de samenwerkingsovereenkomst voor het onderhoud van grensvormende en grensoverschrijdende waterlopen en het samenwerkingscharter voor operationeel waterbeheer zijn hiervoor leidend.

Basisprincipes

Het geschetste beeld van een robuust waterbeheer is bereikt dankzij het consequent werken volgens een aantal basisprincipes. De belangrijkste principes daarbij zijn:

  • 1.)

    niet afwentelen en

  • 2.)

    duurzaam ontwikkelen.

Het lokale handelen mag in principe niet tot problemen elders leiden, in ruimte of tijd of andere werkvelden. Het waterschap beschermt het watermilieu, maar heeft ook oog voor effecten op bodem, lucht, cultuur en economie. In het watermilieu gaat het vaak om de effecten benedenstrooms van het watersysteem, maar het kan ook andersom, wanneer er bijvoorbeeld geen trekvissen meer stroomopwaarts kunnen zwemmen. De duurzame ontwikkeling wordt vormgegeven door kringlopen te sluiten en te stoppen met verspillen en vervuilen.

Diverse voorkeursstrategieën zijn afgeleid van het principe van ‘niet afwentelen en duurzaam ontwikkelen’:

  • Algemeen: preventie van problemen, negatieve effecten bij de bron beperken, negatieve effecten op het systeem beperken.

  • Voor wateroverlast: vasthouden, bergen en afvoeren

  • Voor droogte: sparen, aanvoeren en aanpassen of accepteren

  • Voor waterkwaliteit: schoon houden, scheiden, schoonmaken (en afval is grondstof: kringloopsluiting)

  • Voor ruimtelijke ontwikkelingen: de draagkracht van het watersysteem volgen of versterken.

In de uitvoeringsstrategie van het waterschap hebben de volgende basiselementen tot een robuust beheer geleid:

  • Het waterschap werkt maatschappelijk verantwoord. Ook bij de eigen werkzaamheden wordt de afwenteling op water, bodem en lucht beperkt. Bij inrichtingswerken wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van natuurlijke materialen en processen (bouwen met de natuur).

  • Waterbewust handelen van watergebruikers is vergroot door de strategie: informeren, stimuleren, acteren (en/of participeren). Het waterschap is uitnodigend voor partijen die verantwoordelijkheid nemen en streng voor achterblijvers.

3. Doelenwijzer: sturen op effect in plaats van maatregelen

Als uitvoeringsgerichte organisatie zijn we goed in vertellen wat we doen. Om een goede verbinding te maken met de maatschappij is het nodig om te beseffen waarom we de dingen doen die we doen en dat duidelijk uit te dragen. Zo groeit contact, herkenning en verbinding. Door in een ontwikkelingsgerichte partnerdialoog te vertrekken vanuit de maatschappelijke opgave kunnen we samen bepalen hoe we die gaan bereiken. En hoe daarbij kansen voor een slimme, doelmatige realisatie van waterdoelen kunnen worden gecombineerd. Wanneer we spreken over doelen in plaats van maatregelen ontstaat er meer flexibiliteit in de wijze waarop we dit willen en kunnen bereiken: er zijn meerdere wegen naar Rome. De intrinsieke motivatie van het werk van waterschap Brabantse Delta is schematisch weergegeven in ‘De gouden cirkel’ (naar het concept van de ‘golden circle’ van Simon Sinek).

Afbeelding de gouden cirkel van het waterschap

Waarom?

‘Het waterschap wil de waterautoriteit zijn die integraal zorgt voor voldoende oppervlaktewater van een goede kwaliteit en veiligheid tegen overstromingen. Daarbij staan mensen centraal.’ Dat is de missie van het waterschap. Maatschappelijk verantwoord ondernemen is hierbij de inzet waarmee tevens wordt bijgedragen aan de ontwikkelrichtingen uit het klimaatakkoord.

Water maakt het wonen, werken en genieten in Midden- en West-Brabant mogelijk. In één woord samengevat: leefbaarheid. Een gezonde leefomgeving, met daarbij een goede balans tussen mens, milieu en economie (people, planet en profit).

Hoe? Als wateroverheid!

Waterschap Brabantse Delta wil een betrouwbare overheid zijn die nu en in de toekomst staat voor de slagvaardige en efficiënte uitvoering van zijn missie. Een waterschap dat weet wat er in de omgeving speelt en zich open naar klanten en toekomst opstelt. Een waterschap dat gekend, erkend en gewaardeerd wordt door de boeren, burgers, buitenlui, bedrijven en bestuurders van West- en Midden-Brabant. Maar ook een waterschap waar mensen graag willen werken en zich kunnen ontwikkelen.

Het waterschap treedt als overheid op in verschillende rollen: regelgever, uitvoerder van taken, handhaver, samenwerkingspartner en kennisleverancier. In de uitvoering van die taken zoekt het waterschap naar de juiste balans tussen de opgaven, de hiermee gemoeide kosten, tarieven en de toekomstbestendigheid van de organisatie.

Het waterschap heeft met de Kadernota 2015-2025 bedrijfswaarden vastgesteld. Deze waarden gebruiken we bij de inventarisatie en beoordeling van risico's, het kiezen van voorkeurvarianten in projecten en bij de prioritering van investeringen.

Hoe? Samen met partners!

De tweede zin van de waterschapsmissie benadrukt dat mensen centraal staan. In de realisatie van de waterdoelen is het absoluut noodzakelijk dat we samenwerken met partners. Iedereen kan partner zijn. De samenwerking is niet beperkt tot overheden, ondernemers en onderwijsinstellingen. Samenwerking met terreinbeheerders en grondeigenaren (particulier grondbezit) is ook van belang. Het waterschap is daarbij niet altijd degene die de kar trekt. Ook van burgers en bedrijven wordt verwacht dat ze vanuit eigen mogelijkheden maatschappelijk verantwoord handelen. Het waterschap gaat graag het gesprek aan over samenwerkingsvoorstellen en wil initiatieven van burgers en ondernemers stimuleren wanneer deze bijdragen aan de waterdoelen.

Tabel bedrijfswaarden

Hoe? Met een robuust beheer!

Om duurzaam werken en wonen mogelijk te maken, is een robuuste inrichting en beheer van watersysteem en –keten nodig. Het waterschap kiest waar mogelijk voor oplossingen die gebruikmaken van de natuurlijke omstandigheden en mogelijkheden. Indien dit niet kan of kostentechnisch niet verantwoord is, neemt het waterschap technische ingrepen.

Hoe? Basiskennis op orde!

Een doelmatige inrichting, beheer en onderhoud van een watersysteem begint bij basisinformatie over de kwaliteit en het functioneren. Het waterschap verricht daarom diverse metingen op get gebied van hydrologie, morfologie, waterkwaliteit en ecologie. Daarnaast neemt het waterschap deel aan diverse (inter-)nationale projecten voor kennisontwikkeling. Het waterschap en gebiedspartners kunnen elkaar versterken door de uitwisseling van kennis en ervaringen.

Wat?

Om antwoord te geven op de vraag ‘wat doen we’, zijn de wettelijke kerntaken van het waterschap als doel geformuleerd. Met kerntaken doelen we op de beheerstaken die het waterschap van het Rijk of provincie heeft toebedeeld gekregen: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond, schoon water als de zorg voor voldoende water. Samen met en voor partners werkt het waterschap aan droge voeten, voldoende water, schoon water en bevaarbare rivieren en kanalen.

Vanuit de gouden cirkel zijn vier integrale beleidsthema’s geformuleerd (de gekleurde elementen), die in de volgende paragrafen zijn uitgewerkt:

  • Risico’s beheersen. Het waterschap streeft ernaar om de kansen op schade aan mens, milieu en economie op een maatschappelijk acceptabel niveau te houden. Dit thema richt zich op het hier en nu: het huidige grondgebruik en de huidige ecologische kwaliteit. Het maatschappelijke acceptabele niveau is veelal vastgelegd in wetten, regels en/of overeenkomsten. Bij het beheersen van risico’s gaat het niet alleen voorspelbare risico’s (de kans dat bijvoorbeeld een calamiteit zich voordoet), maar juist ook om voorstelbare risico’s (wat doe je als een calamiteit daadwerkelijk plaatsvindt).

  • Duurzame ontwikkeling van de leefomgeving in Midden- en West-Brabant ondersteunen. Dit thema richt zich op de gebiedsontwikkeling in de regio in de planperiode. Dit doet het waterschap binnen de kaders die vanuit de algemene democratie worden gesteld door gemeente, provincie en het Rijk.

  • Maatschappelijk verantwoord en vernieuwend. Dit thema gaat in op maatschappelijke thema’s en de relevante ontwikkelingen voor de lange termijn die om vernieuwingen bij het waterschap vragen. Ook gaat het thema in op de interactie met burgers en bedrijven. Kansen om kostenbesparend te vernieuwen worden zoveel mogelijk benut.

  • Effectief en efficiënt. Samenwerking met partners is noodzakelijk om als waterschap effectief en efficiënt de taken uit te voeren. Met de implementatie van assetmanagement wordt de bedrijfsvoering meer risicogestuurd.

3.1 Risico’s beheersen

Met het beheer wil het waterschap de risico’s voor mens, milieu en economie op een maatschappelijk acceptabel niveau houden. Het risico wordt geformuleerd als een kans van optreden maal de gevolgschade (risico = kans x gevolg). Het maatschappelijke acceptabele niveau is veelal vastgelegd in wetten, regels en/of overeenkomsten. In hoeverre het waterschap voldoet aan de afspraken voor verschillende onderwerpen is grafisch weergegeven. Het niet voldoen aan een afspraak zegt nog niets over de mogelijke risico’s. Per taak wordt in de volgende paragrafen een verdere toelichting gegeven op de doelen, afspraken en risico’s.

Afbeelding mate waarin aan afspraken wordt voldaan

Of er een risico is op schade is veelal een theoretische berekening. Of er in de praktijk onacceptabele risico’s optreden, blijkt uit de evaluatie over het gevoerde beheer. Het waterschap wil dat er in de planperiode vrijwel geen sprake is van verwijtbare klachten (situaties die het waterschap had kunnen voorkomen als het volgens de afspraken had gewerkt).

Het gebied kent zijn beperkingen

De bodem en het watersysteem zijn voor een belangrijk deel bepalend voor wat er wel en niet mogelijk is qua grondgebruik (zie kaart 1 risicogebieden) maakt transparant hoe het watersysteem functioneert. Zo kunnen ondernemers en burgers zelf bepalen welke risico’s ze aanvaardbaar vinden en welke voorzorgsmaatregelen ze zelf kunnen nemen om hiermee om te gaan. Ze hebben daarin een eigen verantwoordelijkheid.

Op de kaart 1 'Risicogebieden'staan de volgende risico’s weergegeven:

  • Wateroverlast: gebieden die gevoelig zijn voor overstroming vanuit het oppervlaktewater.

  • Droogte: het vrij afwaterende gebied is in potentie droogtegevoelig, omdat er geen water kan worden aangevoerd. Op de kaart zijn de gebieden weergegeven die in de praktijk gevoelig zijn gebleken. In droge situaties kan het waterschap onttrekkingsverboden instellen. Op de kaart is weergegeven in welke gebieden dit in de afgelopen 10 jaar soms, regelmatig of langdurig is voorgekomen.

  • Hoge zoutgehalten: sommige peilgebieden staan onder invloed van zoute kwel. Ondanks het watersysteembeheer is het zoutgehalte niet altijd onder de 200 mg/l te houden. Voor diverse teelten is dit belangrijk om te weten.

  • Kans op extra regels ter bescherming van de waterkwaliteit:

  • -

    Bij lozing van afvalwater op kleine wateren met een beperkte doorstroming, worden vaak scherpere eisen gesteld in algemene regels en vergunningsvoorschriften om milieuschade en/of gezondheidsrisico’s te voorkomen. De wateren met een grotere doorstroming of een groot watervolume zijn op kaart weergegeven. Daarbij gelden minder strenge regels.

  • -

    Gebieden waar het ondiepe grondwater wordt gebruikt voor drinkwaterwinning zijn kwetsbaar voor verontreiniging. Daarom zijn die gebieden door de provincie als grondwaterbeschermingszone aangewezen. Dat kan beperkingen opleveren voor activiteiten die de grondwaterkwaliteit negatief beïnvloeden.

Indien nodig kan het waterschap meer specifieke informatie leveren.

Voor de overstromingsrisico’s vanuit de regionale rivieren is een aparte kaart opgenomen (kaart 2). In een situatie met een kans die kleiner is dan eens per 100 jaar, kunnen de keringen mogelijk bezwijken (de norm is eens per 100 jaar). Op de kaart is te zien welke gebieden dan onder water kunnen lopen. Meer informatie is te vinden op de landelijke website www.risicokaart.nl (in de groep natuurrampen). In het kader van de Europese Richtlijn Overstromingsrisico’s (ROR) zijn landelijk de overstromingsrisico’s in beeld gebracht die zich met een verschillende regelmaat kunnen voordoen:

  • frequent (ordegrootte 1/10 jaar),

  • met een middelgrote kans (ordegrootte 1/100 jaar)

  • en in uitzonderlijke omstandigheden (ordegrootte 1/2000 jaar).

Goed voorbereid op calamiteiten

Het waterschap werkt in het calamiteitenbeheer samen in de veiligheidsregio, houdt regelmatig veiligheidsoefeningen en actualiseert de calamiteitenplannen regelmatig. Het voorkomen van calamiteiten heeft uiteraard de voorkeur boven bestrijding. Daarom is preventie de basis van het beleid. De veiligheidsregio, waarin het waterschap deelneemt, heeft als taak burgers en bedrijven bewust te maken over hun eigen handelen in geval van calamiteiten. Een goede samenwerking met partners in zowel Vlaanderen als Nederland is belangrijk voor een goede crisisbeheersing. De specifieke doelen op dit gebied staan beschreven in paragraaf 3.4.2.

risico beheersen bij calamiteiten

3.1.1 Overstromingsrisico’s vanuit rivieren

Deze paragraaf gaat over het voldoen aan de normen die in 2014 van kracht waren. Van de 134 kilometer aan primaire keringen in het beheer van het waterschap is 10 kilometer afgekeurd in de derde nationale toetsingsronde (2010-2013). In 2013 zijn de regionale keringen getoetst aan de nieuwe norm voor deze keringen: een beschermingsniveau van 1/100 jaar (voorheen was deze norm eens per 50 jaar). Van de 197 kilometer die is getoetst, is 106 kilometer als onvoldoende beoordeeld. De compartimenteringskeringen zijn niet getoetst. Hierbij is handhaving van het huidige profiel namelijk de norm. Deze keringen voldoen dus per definitie aan de norm. Een deel van de afgekeurde regionale keringen voldoet ook niet aan de technische normen voor de situatie waarin de waterberging Volkerak-Zoommeer wordt ingezet.

regionale en primaire keringen

Doelen voor 2021:

  • Vermindering urgente overstromingsrisico’s primaire keringen

  • Vermindering urgente overstromingsrisico’s regionale keringen

  • De keringen zijn getoetst aan 4e nationale toetsingsronde (zie paragraaf 2.3)

  • Overige keringen zijn getoetst

regionale kering

Aanpak risico’s bij primaire keringen

De urgentie voor aanpak van primaire keringen wordt landelijk bepaald. Voor wat betreft de primaire keringen is het project Geertruidenberg en Amertak het meest urgent. De verkenningsfase is hiervan in 2014 gestart en loopt door tot 2017. De andere drie projecten (Damwand Buitenpand Wilhelminakanaal; kunstwerken Tonnekreek, Moerdijk en Schutsluis Waalwijk; dijkvakken Noordschans) hebben een lagere prioriteit en worden naar verwachting pas na 2021 uitgevoerd.

Aanpak risico’s bij regionale keringen

De opgave voor de verbetering van de regionale keringen is groot. Het waterschap wil deze opgave zo snel mogelijk realiseren, mede omdat het Volkerak-Zoommeer vanaf 2016 ingezet moet kunnen worden als waterberging voor de grote rivieren. De provincie heeft ingestemd met de planning, waarbij de verbeteringswerken uiterlijk in 2023 zullen zijn afgerond. Voor de tussenliggende periode 2016-2025 zullen het Rijk en het waterschap de effecten in beeld brengen van de mogelijke inzet van waterberging op het Volkerak-Zoommeer. Dit is noodzakelijk voor een goede risico-inschatting en beheersing van deze risico’s.

Tekening versterking keringen

3.1.2 Voldoende water van voldoende kwaliteit

Het waterschap zorgt voor voldoende water van voldoende kwaliteit en gaat daarbij uit van de geldende gebruiksfuncties. In het peilbeheer hangen de risico’s op droogte en wateroverlast met elkaar samen. Deze thema’s worden niet langer los van elkaar beschouwd. Voor het dagelijkse peilbeheer staan de afspraken in het Gewenst Grond en Oppervlaktewater Regime (GGOR). Voor extreem natte situaties zijn afspraken gemaakt in het Nationaal Bestuursakkoord Water van 2011. Die zijn vervolgens weer vertaald in de Provinciale Verordening Water. Voor het voorzieningenniveau bij droogte moeten nog concrete afspraken worden gemaakt, als aanvulling op de afspraken voor de alternatieve zoetwatervoorziening bij een zout Volkerak-Zoommeer.

Doelen voor 2021:
  • Vrijwel geen verwijtbare klachten over het gevoerde peilbeheer (behouden huidige situatie)

  • 100% van het gebied voldoet aan de afspraken voor het peilbeheer

  • De afspraken die gemaakt zijn met de maatschappelijke partners in de ‘Intentieovereenkomst beregenen uit grondwater’ (31 januari 2014) zijn uitgevoerd.

  • Afspraken die het waterschap met provincies, andere waterschappen en het Rijk maakt over de zoetwatervoorziening van de vrij-waterende en de peilgestuurde gebieden (‘beken en kreken’) voor de periode tot en met 2021 zijn nagekomen. Het gaat dan om de bestuursovereenkomsten over zoetwatermaatregelen voor de hoge zandgronden (najaar 2015) en de Zuidwestelijke Delta ( 1 april 2015) en de bestuursovereenkomst ‘ontwikkelingen Grevelingen en Volkerak-Zoommeer’ (1 april 2015).

  • In 2021 zijn afspraken gemaakt tussen overheden en gebruikers over voorzieningenniveaus voor zoetwater, conform de afspraken en spelregels uit de Deltabeslissing zoetwater.

Wateroverlast wordt door iedereen verschillend ervaren. Het kan ook verschillende oorzaken hebben. Gelet op de huidige klimaatontwikkelingen wordt ‘af en toe water op straat’ niet als overlast beschouwd. We spreken over verwijtbare klachten bij schade door te hoge of te lage waterstanden van het oppervlaktewater indien deze niet overeenkomen met de gemaakte afspraken. Of indien deze waterstanden niet passen bij wat van het waterschap mag worden verwacht, als het gaat om inrichting, beheer en onderhoud van het watersysteem.

Afspraken over peilbeheer

Het waterschap heeft voor het dagelijks peilbeheer in peilbeheerste gebieden afspraken vastgelegd in peilbesluiten. In 2009 en 2010 zijn alle peilbesluiten herzien en opnieuw vastgesteld. Indien nodig worden peilbesluiten in de planperiode opnieuw geactualiseerd door veranderde wensen in het peilbeheer.

Afbeelding peilbeheer

Tabel NBW

Deze normen zijn uitgedrukt in de kans dat het peil van het oppervlaktewater het niveau van het maaiveld overschrijdt (´kans op inundatie vanuit oppervlaktewater´). Daarbij worden voor verschillende bestemmingen van de grond uiteenlopende normen gehanteerd (variërend van eens per honderd jaar voor bebouwd gebied tot eens per tien jaar voor weidegebied).

Voor wat betreft de risico’s op wateroverlast is het watersysteem al goed op orde (94%), gelet op het huidige klimaat. Voor graslanden voldoet de inrichting van het watersysteem al aan de afspraken uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) van 2011 (zie de tabel met werknormen uit bijlage 4 van het NBW). Voor een aantal gebieden is het niet kosteneffectief om de kans op schade door wateroverlast te beperken conform de landelijke afspraken. Daarvoor worden in de planperiode specifieke afspraken gemaakt met belanghebbenden. Ook blijkt de norm niet overal haalbaar te zijn. Het waterschap heeft de provincie gevraagd om deze gebieden, van oudsher vaak natte plekken, in de Verordening Water aan te merken als gebied waarvoor geen norm geldt, net als de beekdalen.

In een beperkt deel van het gebied, zoals de beekdalen en historische natte plekken, geldt er geen provinciale norm. In die gebieden mag de wateroverlast niet verslechteren. Deze gebieden zullen in de toekomst niet aan de reguliere normering gaan voldoen, maar dat betekent niet dat de inundatiefrequentie door klimaatverandering mag toenemen (met uitzondering van de waterbergingsgebieden). Hier blijft het uitgangspunt uit het vorige waterbeheerplan van kracht: het grondgebruik van 2008 wordt gerespecteerd. In het beekdal van de Aa of Weerijs bijvoorbeeld, bestaat bij kapitaalintensieve teelten de kans op grote schade. In overleg met de bedrijven zal het waterschap zich daarom blijven inzetten voor de optimalisatie van het systeem. Denk daarbij aan kosteneffectieve maatregelen en een langetermijnvisie voor verschuivingen in grondgebruik. De betreffende ondernemer of burger is zelf verantwoordelijk voor schade door wateroverlast, als deze ontstaat bij het overgaan op gevoeliger of kapitaalintensiever grondgebruik (na 2008).

Foto wateroverlast omgeving kaatsheuvel

Foto goed voorbereid voor water

Voor de stedelijke wateropgave zijn de grootste risico’s verminderd dankzij de uitvoering diverse maatregelen. In de komende planperiode worden de overige knelpunten aangepakt.

Zoetwatervoorziening

Het voorzieningenniveau is een nieuw instrument dat voortkomt uit het Deltaprogramma (zie paragraaf 2.3). Het betreft de beschikbaarheid van zoetwater in normale en droge situaties in een gebied. Het gaat hierbij om oppervlakte- en grondwater (diep en ondiep), kwantiteit en kwaliteit (indien van toepassing). Het voorzieningenniveau geeft de grens aan van de overheidsverantwoordelijkheid (en waar die van de burger begint) en biedt transparantie en handelingsperspectief aan watergebruikers. De uitwerking loopt via een gezamenlijk proces van overheden en gebruikers.

De doelen van het voorzieningenniveau zijn:

  • handelingsperspectief bieden: aangeven wat het Rijk, de regio en gebruikers van elkaar kunnen verwachten in normale en droge situaties

  • Afstemming tussen zoetwatervoorziening en ruimtelijke ordening versterken.

  • Vergroten van het waterbewustzijn en het stimuleren van zuinig watergebruik.

  • Vergroten van de doelmatigheid en duurzaamheid van de watervoorziening door de inspanningen van Rijk, regio en gebruikers op elkaar af te stemmen.

Eigen verantwoordelijkheid watergebruikers

Het waterschap zal niet alle risico’s beperken. Bepaalde gebieden zijn nu eenmaal gevoeliger dan andere. Het waterschap wil duidelijk en transparant zijn over voorzieningenniveau van het waterschap, zodat watergebruikers weten welke verantwoordelijkheid ze zelf moeten nemen.

3.1.3 Schoon water voor een gezonde leefomgeving

Het waterschap wil een gezonde leefomgeving behouden en achteruitgang voorkomen (ontwikkeldoelen staan in paragraaf 3.2). Het waterschap werkt daarvoor aan schoon water volgens Europese en landelijke regels. Het behoud is gericht op de volgende onderdelen:

  • De rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s) blijven voldoen aan de vergunningsvereisten (of algemene regels) en aan de afspraken in afvalwaterakkoorden.

  • Nieuwe lozingen en activiteiten van derden brengen de verwachte chemische en ecologische waterkwaliteit in 2021 niet in gevaar.

  • Aanwezige flora- en faunawaarden blijven behouden (het waterschap werkt volgens de Flora- en Faunawetgeving)

  • Er ontstaan geen nieuwe risico’s voor volksgezondheid en diergezondheid in relatie tot emissies uit de afvalwaterketen en individuele lozingen van afvalwater (IBA’s).

  • Kwetsbare drinkwaterwinningen blijven beschermd tegen verontreinigingen.

  • De goede zwemwaterkwaliteit behouden, met een minimale blauwalgoverlast.

Foto schoon water voor mens plant dier

Het waterschap heeft in afvalwaterakkoorden afspraken met gemeenten vastgelegd over de hoeveelheid afvalwater die het waterschap verpompt naar de rioolwaterzuiveringsinstallaties. In 2021 wil het waterschap aan al deze afspraken kunnen voldoen. Op dit moment zijn er nog twee knelpunten: bij het afvalwaterpersstation te Roosendaal en bij de effluentleiding van Nieuwveer. Daardoor voldoet het waterschap in 2015 voor 93% aan de afnameverplichting, zoals die is vastgelegd in afvalwaterakkoorden (% tekort aan capaciteit). Voor wat betreft de eisen vanuit nationale regels en vergunningen voldoen alle rwzi’s aan de vereisten (100%). Het gaat dan om het naleven van lozingseisen en het naleven van milieuwetgeving (stank, geluid)

Het waterschap wil dat de emissies uit de afvalwaterketen niet beperkend zijn voor het halen van de ecologische waterkwaliteitsdoelen. Als er vanuit de gewenste ontwikkeling voor het behalen van de ecologische doelen (zie paragraaf 3.2.3) een beter zuiveringsrendement wordt vereist, zullen hierover in aanvullende voorschriften nadere eisen worden vastgelegd (zie ook paragraaf 4.5).

afbeelding vergunningseisen afnameverplichtingen

Daarnaast is het belangrijk dat de voorzieningen in de afvalwaterketen ook gedurende het grootste deel van de tijd technisch beschikbaar zijn (niet in onderhoud of in storing). Het gaat dan om de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de zorgplicht die het waterschap heeft om lozing van ongezuiverd afvalwater te voorkomen. Hierbij worden verschillende fasen onderkend:

  • 1.

    Systeem op orde (conform afspraken uit afvalwaterakkoorden en vergunningen of algemene regels)

  • 2.

    Niet voldoen als gevolg van gepland onderhoud

  • 3.

    Niet voldoen als gevolg van storing

  • 4.

    Calamiteit (overmacht)

Het waterschap beoordeelt de eigen rioolwaterzuiveringsinstallaties op dezelfde manier als dat bedrijven beoordeeld worden. In de afgelopen periode waren de rioolgemalen, zuiveringen en de slibverwerking voor meer dan 98%van de tijd beschikbaar.

Het waterschap zorgt sinds 2006, in opdracht van een aantal gemeenten voor het beheer en onderhoud van circa 700 systemen voor individuele behandeling van afvalwater (IBA). Het waterschap heeft hiervoor met de betreffende gemeenten een samenwerkingsovereenkomst (30 jaar) afgesloten. Voor het onderhoud is een meerjarig onderhoudscontract (10 jaar) met derden afgesloten. Overige gemeenten en een aantal particulieren zijn zelf verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van IBA systemen. In de planperiode kunnen deze afspraken worden herzien indien landelijke normen en spelregels veranderen en/of nieuwe technologische ontwikkelingen kansen bieden voor een maatschappelijk doelmatigere invulling van het beheer en onderhoud. Afschrijvingstermijnen en de impact van de IBA systemen op de kwaliteit van de ontvangende oppervlaktewateren vormen hierbij belangrijke afwegingsfactoren.

Riooloverstorten met knelpunten voor de waterkwaliteit

In totaal is voor circa 650 gemeentelijke riooloverstorten beoordeeld of zij mogelijk nadelige effecten hebben voor het ontvangende oppervlaktewaterstelsel (Waterkwaliteitsspoortoetsing). Uiteindelijk zijn er 23 knelpunten geconstateerd en is voor vijf overstorten nog geen definitief oordeel gegeven. Het waterschap en de betreffende gemeenten maken per overstort een plan van aanpak om het knelpunt op te lossen. Een doelmatigheidstoets kan onderdeel vormen van de planuitwerking. De vijf overstorten die nog geen definitief oordeel hebben gekregen, zullen in 2015/2016 alsnog beoordeeld worden. Een gezamenlijk onderzoek van het waterschap en de gemeente(n) kan hiervoor in deze periode noodzakelijk zijn. Het waterschap streeft ernaar om samen met de gemeenten de knelpunten uiterlijk in 2021 te hebben opgelost.

Zwemwateren

De bacteriologische kwaliteit van de meeste zwemplassen is in orde. In meerdere zwemplassen is de toestand de afgelopen jaren verbeterd. Alle plassen voldoen aan de Europese Zwemwaterrichtlijn. Als er problemen zijn, dan is het meestal met betrekking tot blauwalgbloei: bij vier plassen zijn actuele problemen en bij drie plassen is sprake van potentiële problemen. Het waterschap zoekt voor zeven plassen kansrijke maatregelen om overmatige blauwalgenbloei te bestrijden. In één zwemplas vormt de aanwezigheid van zwemmersjeuk een probleem. Het waterschap streeft samen met de provincie en de beheerders van de zwemwateren naar een maximale beschikbaarheid van de zwemplassen voor het publiek tijdens zomerse dagen. Het aantal dagen en aantal zwemplassen met een zwemverbod wegens blauwalgen of andere waterkwaliteitsproblemen willen we beperkt houden (en tenminste niet toenemen in de planperiode).

Afbeelding beoordeling meetpunten zwemwateren

De Europese Zwemwaterrichtlijn onderscheidt vier klassen in de kwaliteit van het zwemwater: uitstekend, goed, aanvaardbaar en slecht. Hierin wordt het risico op blauwalgenbloei niet meegenomen. In 2015 moeten alle zwemplassen ten minste de kwaliteit ‘aanvaardbaar’ hebben. Dat doel is in de periode 2010-2015 al bereikt: de meeste plassen hebben een uitstekende of goede kwaliteit. De Asterdplas in Breda heeft de minimale kwaliteitsklasse ‘aanvaardbaar’. De richtlijn streeft naar een toename van het aantal locaties met een goede en uitstekende kwaliteit. Daarbij zijn geen concrete jaartallen vastgelegd. Actuele informatie over de zwemwateren is te vinden op www.zwemwater.nl.

3.1.4 Bevaarbare rivieren en kanalen

In opdracht van de provincie voert het waterschap het vaarwegbeheer uit van de provinciale vaarwegen. In de keur op de vaarwegen ligt vast wat de maximale maten van de schepen zijn die over de vaarwegen moeten kunnen varen. In de afgelopen periode is een achterstand ontstaan in het baggerwerk van de vaarwegen. In de winters van 2014/2015 en 2015/2016 worden al enkele trajecten gebaggerd. In 2016 zal daarom naar verwachting in 65% van de vaarwegen geen knelpunten zijn voor de scheepvaart. De bagger is dan beperkt tot hooguit 20 à 30 centimeter boven het leggerprofiel. De bagger kan echter de waterkwaliteit nog wel negatief beïnvloeden door opwerveling bij veel scheepvaartbewegingen. Of een andere baggerstrategie nodig is, vanuit het oogpunt van waterkwaliteit, wordt in de planperiode nader onderzocht.

Afbeelding vaarwegen

In 2021 wil het waterschap:

  • Voldoen aan de benodigde diepte voor de toelaatbare schepen.

  • Zorg dragen voor een vlot, veilig en betrouwbaar scheepvaartbeheer:

    • o

      risico’s op ongevallen zijn klein

    • o

      het oponthoud bij sluizen is beperkt

    • o

      in meeste tijd van het jaar zijn de vaarwegen bevaarbaar voor de scheepvaart waarvoor de vaarweg is aangewezen.

In de planperiode zal het waterschap met de provincie concretere afspraken maken over waar het scheepvaartbeheer aan moet voldoen. Daarbij zal er meer duidelijkheid komen op vragen als: ‘Wat is een klein risico op ongevallen?’, ‘Wat is een beperkt oponthoud bij sluizen?’, en ‘Welk percentage van beschikbaarheid van de voorzieningen moet worden nagestreefd? ‘. Omdat het waterschap deze taak uitvoert namens de provincie, zullen eventuele extra kosten in de uitvoering van deze taak ook door de provincie worden gefinancierd.

Foto sluis bij dintelsas

3.2 Duurzame ontwikkeling van de leefomgeving

Het waterschap wil de eigen taken dusdanig uitvoeren dat ze bijdragen aan een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving in Midden- en West-Brabant. Een robuuste inrichting en beheer van het watersysteem en de afvalwaterketen vormt daarbij de belangrijkste basis. Aanvullend daarop faciliteert het waterschap de duurzame ontwikkelingen die vanuit de algemene democratie (gemeenten, provincie en het Rijk) worden gewenst. Het gaat dan om ondersteuning van de kwaliteit van de openbare ruimte, de ontwikkelingen voor bedrijven (industrie en landbouw) en om natuurontwikkeling. Deze paragraaf gaat in op wat het waterschap in de komende planperiode wil bereiken voor al deze verschillende thema’s. De grootste opgave ligt er voor de natuurontwikkeling, zoals die door de provincie Noord-Brabant is ingevuld op basis van Europese en nationale kaders.

Kader Duurzame ontwikkeling volgens Brundtland

Het basisprincipe van ’niet afwentelen’ past goed in een duurzame ontwikkeling. De maatschappij is sterk gericht op economische groei. Het gaat bij een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving niet alleen om economische vooruitgang. Naast welvaart vindt het waterschap ook het welzijn belangrijk. Daarom moeten nieuwe ontwikkelingen naast hun economische waarde ook iets toevoegen aan de kwaliteit van leven.

In algemene zin streeft het waterschap naar:

  • het creëren van gunstige condities in het watersysteem en de afvalwaterketen, die aansluiten bij de behoeften van de huidige en toekomstige gebruikers (mensen, bedrijven, natuur);

  • een leefomgeving die de effecten van de klimaatveranderingen kan opvangen met acceptabele risico’s voor mens, milieu en economie;

  • tevredenheid van samenwerkingspartners over de open houding van het waterschap om kansen te bieden en te verzilveren voor koppeling van andere initiatieven.

3.2.1 Robuust beheer van keten en systeem

Het watersysteem en de afvalwaterketen moeten kleine verstoringen kunnen opvangen én kunnen meeveren met nieuwe ontwikkelingen op het gebied van klimaat, bevolkingsgroei en bedrijvigheid. Anderzijds dienen ontwikkelingen in het gebied wel te passen bij de draagkracht van de ondergrond. Waar nodig verduidelijkt het waterschap wat het van de maatschappij aan inspanningen verwacht (ook als het gaat om het voorkomen van een toename aan vetten of doekjes in de riolering).

In de uitvoering van maatregelen houdt het waterschap altijd rekening met de dan bekende ontwikkelingen, zoals de klimaatscenario’s van het KNMI voor 2050). De verwachte klimaatveranderingen hebben een forse impact op het waterbeheer: meer extremen in droge en natte perioden, maar ook toename van plaagsoorten en meer kwaliteitsproblemen door warmer oppervlaktewater.

Voor de afvalwaterketen is het van belang om het regenwater zoveel mogelijk (vertraagd) naar het watersysteem af te voeren. Op dit punt hebben burgers en bedrijven een belangrijke eigen verantwoordelijkheid om zo min mogelijk water van verharde oppervlakken via de riolering af te voeren. Opvangen en afvoeren van extreme neerslag via de riolering is niet kosteneffectief. Bij een robuuste afvalwaterketenbeheer wordt de bestaande infrastructuur in de eerste plaats ingezet voor het verwerken van afvalwater, in tweede instantie voor de verwerking van relatief vuile regenwaterstromen en in de derde plaats voor de afvoer van relatief schone hemelwaterstromen indien dit toch de enige oplossing is voor een lokale situatie.

Foto een voorziening voor vertraagde afvoer

Het gezuiverde water wordt geloosd op het watersysteem. Het beïnvloedt de kwaliteit van het oppervlaktewater, maar veroorzaakt bij normale bedrijfsvoering geen waterkwaliteitsknelpunten. In geval van storingen komt de waterkwaliteit in gevaar, omdat rioolwater kan gaan overstorten in het oppervlaktewater of omdat slechtere kwaliteit effluent geloosd wordt dan normaal. Een robuuste bedrijfsvoering betekent dat dit niet vaak en niet in ernstige mate voor kan komen (de begrippen vaak en ernstig worden gekwantificeerd met behulp van de risicomatrix en het bedrijfswaardenmodel).

De grondwatervoorraad wordt beschermd door enerzijds het gebruik van grondwater en het verstoren van diepere lagen daarbij adequaat te reguleren, de vraag naar grondwater te beperken door waterbesparing, -conservering en –aanvoer, maar tegelijkertijd ook te zorgen voor adequate aanvulling van het grondwater door infiltratie van water naar het grondwater te stimuleren, bijvoorbeeld door peilopzet. Dit draagt ook bij aan het herstel van de regionale kwelstromen. Een van de doelen van de Kaderrichtlijn Water is de beschikbaarheid van voldoende oppervlakte- en grondwater van goede kwaliteit, dat duurzaam, evenwichtig en acceptabel gebruikt wordt. Samen met partners zet het waterschap in op een samenhangend, integraal beheer van oppervlakte- en grondwater.

Ambities voor de Kaderrichtlijn Water

Het waterschap streeft naar gezonde watersystemen met een goede ecologische kwaliteit. De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) bevat hiervoor belangrijke randvoorwaarden en spelregels. Het biedt een eenduidige werkwijze voor alle lidstaten. De nationaal en regionaal overeengekomen ambities voor het voldoen aan de vereisten uit de KRW zijn verdeeld over maximaal drie planperiodes van zes jaar. De maatregelen uit de voorgaande periode hebben al geleid tot een duidelijke waterkwaliteitsverbetering, al is er op de meeste plaatsen in het beheergebied nog geen sprake van een goede ecologische toestand. Om die te bereiken moeten alle parameters goed scoren. Als er één parameter niet goed scoort, is het oordeel van deze paramater leidend voor het eindoordeel (‘one out, all out’ beginsel). Als je alleen kijkt naar de eindoordelen is hierdoor de voortgang in waterkwaliteitsverbetering niet goed zichtbaar. Het waterschap kijkt in de komende periode daarom naar de afzonderlijke ecologische parameters. In de komende periode streeft het waterschap naar een toename van het aantal ecologische beoordelingen met minimaal een goede toestand. Een toename van 10% naar 35% lijkt haalbaar wanneer de maatregelen tot en met 2021 zijn uitgevoerd, gelet op het grote percentage dat nu al een matige waterkwaliteit heeft bereikt. Het waterschap is hierin wel afhankelijk van de medewerking van anderen, zoals gemeenten, grondeigenaren en Vlaamse partners zoals de Vlaamse Milieumaatschappij en de provincie Antwerpen (zie ook paragraaf 4.4). In de planperiode zullen watersysteemanalyses worden uitgevoerd voor het maken van een inschatting van haalbaar geachte ecologische doelen op 22 december 2027 (de einddatum van de KRW). Mede op basis van deze analyses zal een besluit worden genomen over het treffen van aanvullende maatregelen en/of het aanpassen van de doelen. In Nederland is afgesproken hierover uiterlijk in 2021 een besluit te nemen.

Afbeelding meetgegevens KRW

Het waterschap zet in op de verbetering van geschikte vestigingscondities voor de kritische ongewervelde waterdieren (de macrofauna). Uit de watersysteemrapportage over 2009-2012 blijkt dat hiervoor herstel van de dynamiek in stroming en peilen belangrijk is. Voor de peilbeheerste gebieden is tevens een reductie van de nutriëntenbelasting urgent.

Van de gemeten normoverschrijdingen voor specifiek verontreinigende stoffen en de prioritaire stoffen is niet voor alle parameters een verbetering te verwachten. Van sommige stoffen zijn de emissies al wel tot vrijwel 0 gereduceerd, al zijn de stoffen persistent in het milieu aanwezig. Het gaat dan om bijvoorbeeld kwik en tributyltin. Op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen en biociden sluit het waterschap zich aan bij de doelen van de nationale Nota Duurzame Gewasbescherming: een reductie van normoverschrijdingen van 50% in 2018 en 90% in 2023, ten opzichte van 2012. Het waterschap zal hierin vooral een beroep doen op de verantwoordelijkheid die burgers en bedrijven hebben in het naleven van de regels (zie paragraaf 4.7).

Voor een robuust watersysteem is het volgende van belang:
  • Er moet voldoende dynamiek zijn in peilen en afvoerkarakteristieken. Enerzijds om in te kunnen spelen op weersverwachtingen om meer water vast te houden in droge perioden en om voldoende bergingscapaciteit te hebben bij aanhoudende natte perioden. Anderzijds om een betere ecologische waterkwaliteit te bereiken met een groter zelf herstellend vermogen.

  • De bodem wordt optimaal benut om water te kunnen vasthouden en uitspoeling van stoffen te voorkomen. Door het intensievere landgebruik is de bodem namelijk uitgeput geraakt (De Bodem onder ons bestaan, 2009, Altera rapport 1908). Het organische stofgehalte en het bodemleven is achteruit gegaan. Door intensieve drainage en verstedelijking is bovendien de grondwateraanvulling beperkt. Het watersysteem kan deze versnelde afvoer samen met de klimaatveranderingen niet zomaar opvangen. Een verandering naar zo traag mogelijk afvoeren van water en het reserveren van meer ruimte voor water en natte zones is daarom noodzakelijk.

  • Plaagsoorten mogen geen bedreiging vormen voor waterhuishoudkundige functies (geen toename aan risico’s voor mens, milieu of economie). Het gaat dan om bijvoorbeeld muskusratten, parelvederkruid, grote waternavel en blauwalgen.

In de planperiode werkt het waterschap, samen met partners, de klimaatadaptatiestrategieën van het nationale deltaprogramma verder uit in maatregelen die passen bij het gebied.

Foto muskusrattenbestrijding

3.2.2 Kwaliteit van de openbare ruimte

Met diverse ontwikkelingen staat de leefbaarheid in de bebouwde omgeving onder druk. Denk daarbij aan de verdere verdichting van de stedelijke kernen, aan het afnemend voorzieningenniveau in het landelijke gebied en aan de effecten van een veranderend klimaat.

Wat is nodig voor het waterbeheer om bij te dragen aan de verbetering van het stedelijk leefklimaat? Om die vraag te beantwoorden zal het waterschap zich meer moeten richten op de behoeften van de gebruikers van deze openbare ruimte. De samenwerking met gemeenten en andere watergebruikers zal voor dit thema verder worden versterkt. De gemeenten voeren de regie als het gaat om kwaliteitsverbetering van de openbare ruimte. Het waterschap treedt veelal op als adviseur en zal soms initiatiefnemer zijn (bijvoorbeeld bij het uitproberen van innovatieve maatregelen). Het waterschap geeft als adviseur aan welke ontwikkelingen op het gebied van het watersysteem te verwachten zijn. Denk daarbij aan de toenemende intensieve regenval, meer verhard oppervlak, hogere watertemperaturen met meer kansen op vissterfte en blauwalgenbloei.

mooiAfbeelding mooi beleefbaar en toegankelijk water

Wat wil het waterschap samen met gemeenten en andere partners bereiken?

  • Een afname van structurele overlast van de waterkwaliteit (blauwalgen, vissterfte, botulisme).

  • Een afname van de schaderisico’s op wateroverlast.

  • Het afstromend hemelwater zoveel mogelijk lokaal in het gebied vasthouden en benutten.

  • Open staan voor initiatieven voor recreatief medegebruik van het water.

  • De waterhuishoudkundige objecten met een unieke cultuurhistorische waarde in stand houden.

Structurele overlast van waterkwaliteit verminderen

In de planperiode 2010-2015 heeft het waterschap een ontwikkelrichting naar 2020 geformuleerd ter voorkoming van de structurele blauwalgenoverlast. Deze ambitie wordt met dit beheerplan verbreed naar overlast door een slechte waterkwaliteit, zoals onnatuurlijke vissterfte. Tegelijkertijd wordt het gewenste eindresultaat van overlastvermindering iets minder stellig geformuleerd: het waterschap belooft in dit plan niet langer dat structurele overlast in 2021 niet meer voorkomt. Dat is iets te ambitieus gesteld. Het gaat hier om een inspanningsverplichting: het waterschap werkt aan de vermindering van structurele overlast, maar heeft daarbij wel de hulp van anderen nodig.

In de praktijk zijn relatief veel meldingen over een slechte waterkwaliteit afkomstig van waterschapsmedewerkers. Een beter beeld van de beleving van watergebruikers is van belang voor het stimuleren van ‘waterbewust’ handelen. Het waterschap zal samen met gemeenten bekijken hoe dit inzicht, mede op basis van ervaringen van watergebruikers, kan worden vergroot.

Foto overmatige algengroei

Hoe bepalen we of ergens sprake is van structurele overlast? Juist door klimaatschommelingen kan er het ene jaar wel overlast zijn en het andere jaar niet. Het waterschap beschouwt overlast structureel als het probleem zich in meerdere jaren heeft voorgedaan en minimaal één keer in de afgelopen drie jaar.

Als we niet ingrijpen, zal het warme klimaat leiden tot een toename van structurele overlast. Medewerking van alle betrokken partijen is cruciaal om de structurele overlast te verminderen. Het waterschap wil de betrokkenheid van gebruikers van de betreffende wateren vergroten. Enerzijds wordt hen gevraagdom informatie over de toestand van het water aan het waterschap door te geven. Anderzijds kunnen gebruikers zelf actief helpen, bijvoorbeeld door niet langer eenden te voeren, visvoer in stilstaande wateren te gebruiken of hondenpoep langs de waterkant te laten liggen.

Samenwerking vergroten: alle initiatieven zijn welkom

Elk initiatief om met waterbeheer aan de slag te gaan is welkom. Hoe meer mensen beseffen hoe belangrijk water is en daar concreet mee bezig zijn, hoe beter. Het moet dus ook voor iedereen eenvoudig worden om water mooier, beter en toegankelijker te maken. In 2013/2014 is een derde van de lopende projecten gekoppeld aan initiatieven voor recreatief medegebruik. Toch vinden diverse partners dat het waterschap nog meer kan open staan voor nieuwe kansen. Daarom is dit als specifiek doel opgenomen in dit waterbeheerplan.

Tekening gevraagd goede ideeën

Klimaatadaptatie in de bebouwde omgeving

Het omgaan met hittestress is een onderdeel van de nationale lange termijn strategie voor het anticiperen op klimaatverandering binnen de bebouwde kom, de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie. Naast hittestress gaat het ook om het voorbereid zijn op toekomstige klimaateffecten bij de ontwikkeling en herontwikkeling van bebouwd gebied. Dat gaat verder dan de huidige aanpak van voldoende waterretentie organiseren. Het waterschap zal via regionale samenwerking de gemeenten adviseren bij het opstellen van een klimaatstrategie conform de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie.

Kader wat is hittestress en hoe kan het waterbeheer dit voorkomen.

Tekening aanpak van hittestress

Hengelsport

Het waterschap werkt samen met de hengelsportverenigingen in de visstandbeheercommissie (VBC). Ook in de wateren voor de hengelsport wordt een gezonde waterkwaliteit nagestreefd. Dat hoeft niet te betekenen dat elk water helder is en veel waterplanten heeft. Ook troebel water kan geschikt zijn voor de hengelsport, zolang andere gebruikers geen overlast ervaren en dit past in de lokale waterkwaliteitsdoelen. In visplannen staan afspraken over de uitvoering van de visserij, zoals het uitzetten of wegvangen van vissen om zo de gewenste visstand te bereiken die past bij de lokale waterkwaliteitsdoelen. Dit gebeurt in goed overleg tussen het waterschap en de hengelsportverenigingen. Het waterschap heeft hierbij een toetsende rol. De kaders hiervoor zijn vastgelegd in het Brabantbrede visserijbeleid voor de binnenwateren (vastgesteld in algemeen bestuur, juni 2013).

Kader emiel derks

Verder zal het waterschap in de planperiode open staan voor initiatieven van derden om tot een optimaal gebruik te komen. Zo kunnen er afspraken gemaakt worden welke plekken gemaaid mogen worden om over visstekken aan het water te kunnen beschikken. Samen met de hengelsportverengingen zal worden verkend hoe milieubewust gedrag van sportvissers verder kan worden gestimuleerd, bijvoorbeeld voor het terugdringen van diffuse verontreiniging met vislood.

3.2.3 Natuurontwikkeling

De steden en dorpen in de regio worden omarmd door hoogwaardige natte en droge natuur, en door prachtige (agrarische) landschappen en vergezichten. Kwaliteiten die we moeten benutten en koesteren. De achteruitgang in de ontwikkeling van de biodiversiteit wordt omgebogen in een positieve ontwikkeling. De natuur- en watersystemen in de gebieden zijn daarom beschermd en worden verbeterd door deze goed met elkaar te verbinden.

Er zijn veel verschillende kaders voor natuurdoelen: Europese richtlijnen als de vogel- en habitatrichtlijn Natura 2000 en de Kaderrichtlijn Water. Daarnaast is er nog de nationale ecologische hoofdstructuur en de aanvullende provinciale hoofdstructuur en natte natuurparels. Al dit natuurbeleid richt zich op het creëren van goede vestigingscondities in de kerngebieden en corridors voor migratie van soorten tussen de kerngebieden, zoals vastgelegd in het natuurbeheerplan van de provincie. Het maatregelenprogramma dat hiervoor door het waterschap is opgesteld wordt in deze planperiode voortgezet. Binnen de komende planperiode wil het waterschap de focus leggen op de realisatie van gehele trajecten, zodat er daadwerkelijk vooruitgang op de ecologische waarden kan worden bereikt.

In 2021 wil het waterschap samen met partners het volgende bereikt hebben:

  • Verbetering van de doelrealisatie voor de Kaderrichtlijn Water:

    • -

      Een toename van het aantal ecologische beoordelingen met minimaal een goede toestand.

    • -

      Verdere afname van normoverschrijdingen van gewasbeschermingsmiddelen en biociden

  • Realisatie van 25 verbindingen in de ecologische hoofdstructuur.

  • Realisatie van geschikte omstandigheden (hydrologie en waterkwaliteit) voor de natuurdoelen voor de landnatuur met prioriteit voor de natte natuurparels.

  • Het realiseren van geschikte hydrologische omstandigheden voor de natuurdoelen in de Groenblauwe mantel, dus ook voor natuurwaarden buiten de natuurgebieden. Een voorbeeld hiervan zijn de weidevogelgebieden. Deze waarden zijn onlosmakelijk verbonden met een agrarisch cultuurlandschap, waardoor het waterbeheer zowel op de agrarische, als op de natuurwaarden moet zijn afgestemd (waarbij de agrarische functie het primaire doel blijft).

Verbindingen in de ecologische hoofdstructuur

In de afgelopen jaren is er veel gewerkt aan lokale kansen om delen van geplande ecologische verbindingszones te realiseren. In de komende planperiode wil het waterschap zich richten op het afronden van gehele trajecten, zodat er een effectieve migratie van soorten tussen verschillende natuurgebieden kan ontstaan. Niet langer wordt het aantal kilometer te realiseren ecologische verbindingszone als uitgangspunt genomen, maar het aantal te realiseren trajecten die kleine of grote kerngebieden met elkaar verbinden. In totaal zijn er 82 deeltrajecten vastgesteld in het natuurbeleid van de provincie. Deze trajecten zijn weergegeven op kaart 13 ‘Ecologische verbindingszones’. In 2014 was ongeveer 15% van het totaal aantal deeltrajecten volledig ingericht. In de komende planperiode streeft het waterschap naar ongeveer 45% deeltrajecten die volledig zijn ingericht. Die realisatie is onderdeel van het maatregelprogramma voor de Kaderrichtlijn Water (zie paragraaf 4.4) en gebeurt samen met de gebiedspartners.

Afbeelding % ingerichte trajecten

Kader Toelichting EVZ-modellen

We zullen niet dogmatisch alleen de geselecteerde deeltrajecten realiseren. In overleg met partners kan geschoven worden in de prioriteit van trajecten. Ook initiatieven van derden om onderdelen van andere trajecten te realiseren, worden zoveel mogelijk ondersteund.

Verbetering waterkwaliteit in stagnante, geïsoleerde wateren

De doelen voor de overige wateren die niet als KRW waterlichaam zijn aangemerkt zijn onderdeel van het Provinciaal Milieu-en Waterplan 2016-2021. Deze doelen zijn afgeleid conform de KRW-systematiek. In de uitvoering van de KRW staat de stroomgebiedbenadering centraal waarbij doelmatige maatregelen kunnen worden getroffen in het hele stroomgebied van een waterlichaam, met inbegrip van kleinere bovenlopen.

Onderdeel van de overige wateren zijn veel vennen en wielen waaraan de provincie Noord-Brabant de functie ‘waternatuur’ heeft gegeven.

Ongeveer 40% van de gemeten parameters (periode 2009-2012) heeft minimaal een goede toestand. De provincie streeft naar een toename hiervan. Dat gebeurt in samenwerking met de terreinbeheerders, die veelal het onderhoud uitvoeren in die gebieden. Het waterschap treedt op in verschillende rollen, zoals omschreven in de bijlage ‘verantwoordelijkheden in semi-geïsoleerde wateren’. Om op dit vlak resultaten te halen, is samenwerking belangrijk. Het initiatief zal veelal moeten liggen bij de terreinbeheerders; het waterschap heeft vooral een adviserende rol. Het waterschap zal de samenwerking met de terreinbeheerders verder intensiveren. In de vorige planperiode (waterbeheerplan 2010-2015) had het waterschap besloten zelf het initiatief te nemen voor de verbetering van vennen en wielen in natte natuurparels, gericht op hydrologisch herstel. Daarbij was er een hoge ambitie gesteld in het aantal projecten per jaar. In de praktijk is dit niet haalbaar gebleken.

In dit waterbeheerplan wordt de strategie van het waterschap gewijzigd volgens het onderstaande schema. Het tempo (aantal projecten per jaar) zal lager zijn. Partners zullen eerder worden verzocht om initiatief te nemen op de gebieden waar ze een eigen verantwoordelijkheid hebben. De samenwerking met de partners wordt daarmee wel versterkt. Deze houding van het waterschap geldt ook voor de optimalisatie van de waterkwaliteit van stads- en zwemwateren (zie kwaliteit van de openbare ruimte).

Afbeelding verbetering stagnante wateren

3.2.4 Economische ontwikkeling

Het waterbeheer heeft in belangrijke mate bijgedragen aan de huidige economische situatie van Midden- en West-Brabant. Er is dus al heel wat bereikt. Het waterschap streeft in de planperiode naar een verdere verbetering van vestigingscondities voor bedrijven door:

  • Het robuuster maken van het watersysteem. In samenhang met gebiedsontwikkelingen wordt de capaciteit van het watersysteem in peilbeheerste gebieden vergroot (betere aanvoercapaciteit en bergingscapaciteit in hoofdwaterlopen) zoals gesteld in de krekenvisie (Regio West Brabant, 2010).

  • Het creëren van hydraulische ruimte in de afvalwaterpersleiding van Moerdijk naar Bath voor de afvoer van zoute en geconcentreerde afvalwaterstromen, zoals gesteld in de visie voor de afvalwaterpersleiding (besluit algemeen bestuur, juni 2014).

  • Het optimaliseren van regels, zodat deze een duurzame ontwikkeling niet in de weg staan.

  • De uitbreiding van het aantal samenwerkingsprojecten met bedrijven en kenniscentra (cocreatie).

  • Met de provincie een toekomstvisie voor de vaarwegen opstellen.

Tekening klimaatadaptieve drainage

Meer buffercapaciteit voor een duurzame landbouw

Het vergroten van de buffercapaciteit van het watersysteem voor het bergen van te veel water of het sparen van water voorafgaand aan droge perioden is van belang voor de landbouwontwikkeling in het gebied. Vooral als meer boom- of fruittelers zich in het peilbeheerst gebied willen vestigen is versterking van de aanvoercapaciteiten gewenst. Juist daarom worden in de planperiode ook afspraken gemaakt over de wensen en mogelijkheden voor een goede zoetwatervoorziening in droge tijden voor de huidige en toekomstige gebruikers (gelet op de gewenste ontwikkelingen van gemeenten en provincie). Daarbij gaat het ook over het beter benutten van de buffercapaciteit van de ondergrond, met name op de hoge zandgronden.

Optimale regels

In 2015 is de nieuwe keur met bijbehorende regels vastgesteld. Daarmee is het doel uit het vorige beheerplan gerealiseerd: vermindering van het aantal regels. Ook in de komende planperiode blijft het waterschap scherp letten op de toegevoegde waarde van de eigen regelgeving, of die van andere overheden. De nieuwe maatschappelijke en technologische ontwikkelingen leiden telkens tot nieuwe inzichten.

Het waterschap is blij met initiatieven van bedrijven om zelf water te zuiveren. Dit geeft aan dat ze een eigen verantwoordelijkheid nemen voor de zuivering van afvalwater en mogelijk ook reststromen kunnen benutten. Het waterschap gaat daarom graag in gesprek om te kijken welke opties het meest maatschappelijk rendement opleveren, nu en in de toekomst. Als bedrijven zelf willen zuiveren, moeten we voorkomen dat er een reststroom van afvalwater overblijft die enerzijds te vuil is voor lozing in het watersysteem en anderzijds te schoon is in vergelijking met normaal huishoudelijk afvalwater. Het waterschap vindt dat eventuele reststromen schoon genoeg moeten zijn om op het oppervlaktewater te kunnen lozen, zonder dat hierbij de oppervlaktewaterkwaliteit meetbaar verslechterd.

Cocreatie

Het waterschap kan de taakuitvoering zo organiseren dat het een verbinder is tussen bedrijven, andere overheden en kennisinstellingen. Het waterschap is een kennispartner in watertechnologie, en ook een partner in de keten van productie tot afval (zie paragraaf 3.3.1 Circulaire economie). Bovendien is het waterschap partner in het regionale netwerk ‘Biobased Delta’ voor het benutten van kansen voor de biobased economy. Innovaties zijn van enorme waarde om internationale allure te behouden. Het waterschap kan een toegevoegde waarde leveren door de markt juist op te zoeken om de innovatiebehoefte te bespreken.

Toekomstvisie voor de vaarwegen

De provincie en het waterschap zullen samen met gemeenten een toekomstvisie op het vaarwegbeheer formuleren. De vraag is dan: hoe kan het vaarwegbeheer een duurzame ontwikkeling ondersteunen? Op het traject van de Mark richting Breda blijkt de vaarweg geschikt voor een grotere scheepvaartklasse dan nu is toegestaan. De spoorbrug bij Zevenbergen vormt daarbij nog een knelpunt. Een integrale analyse zal uitwijzen of het wenselijk is om dit watersysteem geschikt te maken voor grotere schepen.

3.3 Maatschappelijk verantwoord en vernieuwend

We leven in een tijd met veel nieuwe technische mogelijkheden. Die mogelijkheden zorgen weer voor maatschappelijke verschuivingen. Ook het waterschap moet zich op tijd aanpassen aan de snel veranderende omgeving. We kijken vooruit naar 2030 en 2050 en bedenken van daaruit wat we nu al in gang moeten zetten. Voor dit waterbeheerplan zijn vier thema’s benoemd: circulaire economie, duurzame energie, verbonden met de maatschappij en gezondheid.

Charles Darwin

Het waterschap geeft in deze paragraaf aan waarop het in de planperiode zal investeren om op de langere termijn tot winsten te komen op het gebied van mens, milieu en economie.

3.3.1 Circulaire economie

Afval bestaat op termijn niet meer. Alles is grondstof. We zien nu al dat steeds meer afval opnieuw wordt gebruikt. Soms in laagwaardige toepassingen, soms in hoogwaardige toepassingen. Met het afvalwater heeft het waterschap het beheer over belangrijke grondstoffen, die geld kunnen opleveren. De ontwikkelingen in de circulaire economie volgen elkaar in hoog tempo op. Onderlinge afstemming tussen partners is dan belangrijk. Het waterschap participeert daarom in diverse netwerken en zoekt daarin de samenwerking met relevante partners.

Wat wil het waterschap in 2021 bereikt hebben?

  • Een substantiële toename van terugwinning van grondstoffen (meer stoffen dan alleen de fosfaatterugwinning uit slib).

  • Een bedrijfsvoering gericht op optimale kringlopen van stoffen, gelet op de technische en financiële mogelijkheden.

  • Geconcentreerder afvalwater op de rioolwaterzuiveringsinstallaties tijdens droge perioden en tijdens natte perioden.

Terugwinning schaarse grondstoffen

Het waterschap heeft in 2012 de ambitie geformuleerd om in 2020 het fosfaat uit rioolslib maximaal terug te winnen (bij de Slibverbranding Noord-Brabant). Ook de mogelijkheden op terugwinning van andere stoffen zijn verkend en er komen steeds meer kansrijke stoffen in beeld die in hoogwaardige toepassingen gebruikt kunnen worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om de productie van bioplastics uit slib, en de productie van eiwitten door eendenkroos op het afvalwater te laten groeien. Op termijn kunnen mogelijk ook metalen uit het slib kosteneffectief worden teruggewonnen. Daarom heeft het waterschap de ambitie verbreed naar een toename van terugwinning van diverse grondstoffen. Dit doel zal met de actualisatie van de innovatieagenda nader worden geconcretiseerd.

Foto eendekroos en maaisel

Kringlopen

Aanvullend op de terugwinning van schaarse grondstoffen wil het waterschap ook voor andere stoffen een kringloopsluiting nastreven. De optimale, haalbare kringlopen zijn afhankelijk van de technische mogelijkheden en het maatschappelijk draagvlak. In 2013 is het waterschap bijvoorbeeld gestart met proeven om het maaisel van slootonderhoud van de grote waterlopen aan te bieden aan boeren om in het land te verwerken. Dit maaisel werd voorheen naar de compostering gebracht. De kringloop van het maaisel wordt met deze proef dus korter. Met de toename van het aantal vergistingsinstallaties van (landbouw)bedrijven liggen er ook kansen om het maaisel te vergisten. Dan kan er lokaal energie mee worden opgewekt.

Ook in de landbouwsector heeft het beperken van verspilling de aandacht. Hierbij snijdt het mes aan twee kanten: door terugwinning van stoffen uit reststromen is er minder inkoop nodig en wordt de belasting naar het milieu verder verkleind. Nieuwe technologieën zullen ook op dit gebied vooruitgang bieden.

Nu richt het waterschap zich vooral op de centrale zuiveringen met veel afvalwater. Dit is voor verwerking van diverse stoffen een goede strategie. Op termijn kunnen ook decentrale behandelingstechnieken van specifieke afvalwaterstromen interessant blijken. Decentrale behandeling van huishoudelijk afvalwater in de kernen van bijvoorbeeld Moerdijk, Klundert of Zevenbergen kan interessant zijn. Daardoor wordt de afvalwaterstroom met specifieke stoffen van industriële toepassingen op de afvalwaterpersleiding van Moerdijk naar de zuivering in Bath meer geconcentreerd. Zo kunnen decentrale en centrale behandeling van afvalwater elkaar versterken.

Geconcentreerder afvalwater

Geconcentreerd afvalwater is effectiever te zuiveren en biedt betere kansen om stoffen terug te winnen. Het waterschap voert al langer het beleid om lozing van minder geconcentreerde afvalwaterstromen te beperken (doelmatigheidseisen). Voor de circulaire economie is dit basisprincipe nog belangrijker. Dit geldt zowel in droge perioden als in natte perioden.

Tot nu toe is de beleidsontwikkeling gebaseerd op schattingen van aangesloten verharde oppervlakken en pompcapaciteiten. Belangrijk is om meer naar het gewenst effect te gaan kijken. De trend kan worden gemeten met twee indicatoren:

  • 1.)

    de droogweerafvoer per inwoner equivalent en

  • 2.)

    de totale hoeveelheid aangevoerd water gemiddeld over de laatste drie jaren.

Op beide vlakken streeft het waterschap in de planperiode naar een dalende trend. In de planperiode zal het waterschap samen met gemeenten een concretere doelstelling formuleren, op basis van een nadere analyse van de gegevens.

De gewenste dalende trend kan het waterschap niet alleen bereiken. Er is actie nodig van gemeenten, bewoners en bedrijven. De ambitie voor het scheiden van waterstromen wordt al gedeeld met de gemeenten in het verbreed afvalwaterketenbeleid, dat samen met de gemeenten in het werkgebied is vormgegeven.

Afbeelding % eigen energiewinning

Kader citaat uit verbreed

3.3.2 Duurzame energie

Om onze ambities waar te maken op het vlak van duurzame energievoorziening en reductie van broeikasgassen blijft het waterschap doorgaan op de ingeslagen weg. Het gaat dan om de afspraken die de Unie van Waterschappen met het Rijk heeft gemaakt (‘klimaatakkoord’) om in 2020:

  • de CO2-uitstoot met 30% te verminderen (ten opzichte van 1990), door:

    • -

      30% efficiënter om te gaan met energie

    • -

      en door maatregelen te nemen voor reductie van CO2-uitstoot door vervoer (streven is 10% ten opzichte van 2012).

  • 40% van onze energiebehoefte zelf te voorzien via duurzame, hernieuwbare energiebronnen (eigen productie).

Met de geplande investeringen en de innovatieagenda voor zuiveringsbeheer wil het waterschap de huidige doelstelling van 40% energiewinning in 2020 behalen (zie ook de grafiek over eigen energiewinning).

Om innovaties op dit gebied te blijven stimuleren, zoekt het waterschap een nieuwe horizon. In 2014 en 2015 worden er internationale onderhandelingen gevoerd om nieuwe doelstellingen te formuleren voor 2030. Het waterschap streeft daarbij naar:

  • 50% eigen energiewinning

  • 40% CO2-reductie ten opzichte van 2005 (conform het streven van de Europese Unie).

Deze doelstellingen voor 2020 en 2030 maken ook onderdeel uit van de ambities van het Brabants Energieakkoord. Via de Noord-Brabantse Waterschapsbond participeert het waterschap in de uitvoering van dit akkoord.

In hoofdstuk 5 staat beschreven hoe het waterschap aan deze doelen werkt. De grootste inspanningen liggen daarbij op het gebied van zuiveringsbeheer (paragraaf 4.5).

Kader lukas van der zijden

Het thema energie raakt diverse maatschappelijke ontwikkelingen. Zo kan er bij bedrijven of bewonersverenigingen behoefte ontstaan om terreinen van het waterschap te benutten voor energieopwekking. Het waterschap staat open voor dergelijke initiatieven. Zo wordt met een bedrijf nagegaan wat de mogelijkheden zijn om energie te bufferen door wind- of zonne-energie tijdelijk om te zetten in gas of warmte.

3.3.3 Verbonden met de maatschappij

De maatschappelijke context is dynamisch. Dit leidt tot nieuwe inzichten over en wensen voor het waterbeheer. Het waterbeheer wordt enerzijds afgestemd op de behoeften vanuit de maatschappij: de watergebruikers. Daarbij gaat het om de collectieve behoeften en niet om individuele wensen. Het waterschap geeft anderzijds ook aan wat anderen wel of niet kunnen doen, gelet op de bescherming van de collectieve voorzieningen. Het waterschap geeft een stem aan datgene wat van maatschappelijke waarde is, maar zelf geen eigen stem heeft. Het waterschap stimuleert ook dat watergebruikers zelf actief bijdragen aan een duurzaam waterbeheer.

Het waterbeheer is interactief verbonden met de maatschappij. Dat blijkt wel uit de diverse samenwerkingsverbanden en gezamenlijke plannen in de regio. Toch heeft het waterschap van oudsher de neiging om vooral anderen te vertellen hoe het moet, vanuit een wat specialistisch blikveld: het waterbeheer. Dat kan anders, namelijk meer vanuit maatschappelijke ontwikkelingswensen en meer vanuit een

gezamenlijke verantwoordelijkheid. Daar werken we aan waarbij het waterschap initiatieven vanuit de maatschappij wil stimuleren. Dit noemen we ook wel sociale innovatie. Vanuit het perspectief van het waterschap klinkt het misschien paradoxaal: er is meer te bereiken met en voor water door de partnerdialoog niet primair te starten vanuit de waterdoelen.

Het waterschap streeft in de planperiode naar:

  • Een houding die meer gericht is op interactie, partnerdialoog en burgerinitiatief.

  • Watergebruikers bewust maken van hun eigen handelingsperspectief.

Foto de maatschappij het waterbeheer

Interactie met watergebruikers

De interactie tussen het waterschap en watergebruikers kan op diverse gebieden worden vergroot:

  • Nog meer samenwerkingsprojecten met het bedrijfsleven. Zowel de Nederlandse landbouw- als watersector zijn van internationale betekenis. Het waterschap kan als springplank dienen voor bedrijven om contacten in het buitenland aan te gaan. Door contact te leggen met buitenlandse overheden kan het waterschap deuren openen die anders gesloten zouden blijven. Tevens kan het waterschap in de eigen regio experimenteerruimte bieden, zodat bedrijven vernieuwende concepten kunnen uitwerken, die later internationaal kunnen worden toegepast.

  • Het aansluiten op de toekomstige informatiebehoefte van vernieuwende landbouwbedrijven (delen van informatie en kennis over het watersysteem).

  • Watergebruikers, zoals boeren of vissers, stimuleren om gegevens te delen over het functioneren van het watersysteem en de riolering (meer dan alleen klachten doorgeven).

  • Beheer van kunstwerken door derden (zelfzorg) waarbij de bediening in goed overleg met het waterschap wordt uitgevoerd (blijvend contact).

  • Burgerparticipatie in gebiedsgerichte uitvoeringsprojecten en omgekeerd ook participatie van het waterschap in bredere gebiedsprocessen.

  • Andere maatschappelijke financieringsmodellen: investeerders zoeken die graag projecten meefinancieren vanwege de maatschappelijke meerwaarde.

Tekening partnerdialoog

Tijdens de totstandkoming van dit waterbeheerplan heeft het waterschap nadrukkelijk de dialoog opgezocht met partners in het watersysteembeheer en in de afvalwaterketen. De innovatieagenda voor zuiveringsbeheer die in 2014 is vastgesteld door het algemeen bestuur is mede ingekleurd door het bedrijfsleven. Die lijn wil het waterschap in de planperiode doorzetten.

Vanuit een lange traditie is het waterschap sterk in het opstellen en uitvoeren van eigen plannen. Hierin is een verschuiving zichtbaar: het waterschap maakt steeds meer bewuste afwegingen over verschillende typen samenwerkingsvormen. Bijgaand ‘kwadrantenschema’ helpt om de verschillen tussen de aanpak van projecten of processen bespreekbaar te maken. En om per situatie een bewuste keuze te maken.

Afbeelding plannen aanhaken beïnvloeden

Waterbewuste gebruikers

Volgens het OESO-rapport ‘Water governance in the Netherlands: fit for the future?’ is het waterbewustzijn in Nederland laag (OESO, maart 2014). Weinig mensen weten waar het water van de straatkolk naartoe gaat. Vaak heeft men geen idee hoe men anders kan omgaan regenwaterafvoer als bijdrage aan het verminderen van wateroverlast op straat. Ook de risico’s op wateroverlast of kansen op overstroming van laaggelegen gebieden zijn veelal onbekend. Dit ondermijnt op termijn het draagvlak voor waterbeheer en de unieke rollen die waterschappen hierin spelen. De waterschappen hebben burgers en bedrijven altijd ontzorgd. Daardoor heeft men nooit voldoende inzicht kunnen krijgen in de gevolgen van het eigen handelen op het waterbeheer. In de komende planperiode wil het waterschap het waterbewustzijn van burgers en bedrijven stimuleren. Nadruk hierbij zal liggen op de eigen handelingsperspectieven in de zorg voor een gezonde en veilige leefomgeving.

Foto vervuiling in rioolwaterpersleiding

Wat betekent dat concreet? Hier volgen een paar voorbeelden:
  • Inwoners en bedrijven hebben zich preventief voorbereid op overstromingen.

  • Ondernemers weten welke risico’s ze lopen met kapitaalintensieve teelten bij vestiging in natte gebieden.

  • Agrariërs die met conserveringsstuwen en/of peilgestuurde drainage het water in de haarvaten meer vasthouden.

  • Inwoners weten dat het water van de straatkolk niet meer naar de riolering gaat, maar rechtstreeks naar de sloot of het grondwater. Ze sparen ook zelf regenwater voor gebruik in droge tijden.

  • Bedrijven benutten regenwater en voeren bijvoorbeeld geen industriële schoonmaakdoeken, via het vuilwater af.

  • Artsen en producenten hebben kennis over de milieu-impact van medicijnresten die via menselijke urine en ontlasting worden verspreid.

Tekening agrariërs beheren zelf stuwen

3.3.4 Gezondheid

De inzameling en verwerking van rioolwater is ooit begonnen vanwege problemen met ziektes in de stad en stinkend en zuurstofloos oppervlaktewater. De zorg voor volksgezondheid ligt daarmee ook ten grondslag aan onze zuiveringstaak. Met de opkomende vergrijzing en het toenemende medicijngebruik voor mensen en dieren is er een nieuw gezondheidsprobleem in aantocht: medicijnresten en antibiotica-resistentie van bacteriën.

Medicijnen zoals Diclofenac, Carbamazepine, Metopropol, Ibuprofen en Aspirine zijn al aangetroffen in het stroomgebied van de Maas. Een deel hiervan is afkomstig van het effluent van rioolwaterzuiveringen. Ook antibiotica komen via de urine van mensen in het rioolwater terecht. Het rioolwater wordt weliswaar schoongemaakt met bacteriën, maar deze halen de antibiotica niet uit het water. Integendeel, ze kunnen er resistent voor worden. Mogelijk kunnen de waterzuiveringsinstallaties daarmee een rol spelen in de ontwikkeling van resistente bacteriën in de vrij natuur die vervolgens ziekten bij mensen en dieren kunnen veroorzaken. Voor onze volksgezondheid is dit een ongewenste ontwikkeling.

Deze nieuwe problematiek van medicijnresten en antibioticaresistentie moet hoe dan ook aangepakt worden. Hierbij is het lastig te bepalen wie wat zou moeten doen. Het is een typisch ketenprobleem. Van medicijnproducent tot aan de producent van schoon drinkwater; ieder heeft zijn rol in de keten. En hoewel iedereen het probleem onderkent, durft niemand de hete aardappel op te pakken. Zeker omdat voor deze stoffen wettelijke normen ontbreken en er geen studies zijn die langetermijneffecten en de effecten van geneesmiddelencombinaties voorspellen. Bovendien is er nog maar beperkte aandacht voor preventie.

Het waterschap wil in de planperiode meer duidelijkheid verkrijgen over zowel de ernst van het probleem, als meer inzicht in mogelijke oplossingen (inclusief preventie) waarvoor maatschappelijk draagvlak bestaat. Het waterschap werkt daarbij via drie sporen:

  • Meedenken en meewerken aan landelijke onderzoeksprogramma’s (o.a. Schone Maaswaterketen)

  • Op lokaal niveau participeren in ketenoplossingen en onderzoek (o.a. Pharmafilter Amphiaziekenhuis, NHTV)

  • Op lokaal niveau participeren in ontwikkeling van end of pipe oplossingen (o.a. toepassing poeder actieve kool op rwzi’s).

Tevens wil het waterschap met het Rijk en andere partners de mogelijkheden onderzoeken of we de kosten voor zuiveren van ongewenste stoffen in het afvalwater (zoals microplastics en medicijnresten) kunnen verhalen op veroorzakers zoals de farmaceutische industrie.

3.4 Effectief en efficiënt

Het waterschap wil effectief en efficiënt zijn in de uitvoering van zijn kerntaken en streeft daarom naar de laagste lasten voor burgers en bedrijven met daarbij een goede kwaliteit in de taakuitoefening en dienstverlening waarbij de kwetsbaarheid beperkt is.

Kosteneffectiviteit

In de afgelopen periode is het waterschap al sterk vooruit gegaan als het gaat om de kosteneffectiviteit van de taakuitoefening. Op diverse punten is bezuinigd, zonder dat dit ten koste is gegaan van de kwaliteit in de uitvoering van taken. Soms leidt een kosteneffectieve oplossing tot verschuiving van kosten tussen partners. Dan is het nodig om de totale lasten voor burgers en bedrijfsleven in de besluitvorming explicieter in overweging te nemen.

Bij de uitvoering van de wettelijke kerntaken willen we ruimte geven aan initiatieven en samenwerkingsverbanden van individuele burgers, bedrijven en organisaties. We zoeken samen naar mogelijkheden om de uitvoering van onze wettelijke taken te combineren met taken en wensen van anderen; de zogenoemde meekoppelkansen voor bijvoorbeeld natuur en recreatie. We zien veel mogelijkheden om functies slim te combineren. Randvoorwaarde daarbij is dat initiatieven van partners niet strijdig zijn met de kerntaken van het waterschap en niet leiden tot hogere waterschapsbelastingen dan het geval zou zijn zonder combinaties met plannen van derden. We zoeken daarbij naar kansen voor versnelling door (Europese) subsidieverwerving en door particulier initiatief te stimuleren.

Kwaliteit

Een goede kwaliteit van ons werk uit zich in tevreden watergebruikers en partners. Daarbij kan er best met enkele gebruikers discussie zijn over de keuzes die in een lokale situatie gemaakt zijn. Het waterschap dient tenslotte het algemene belang van de meerderheid van watergebruikers.

Het waterbeheer staat in dienst van de maatschappij. Dienstverlening is dus belangrijk. Het waterschap ondersteunt de visie op dienstverlening, die in 2012 door de Unie van Waterschappen is ontwikkeld. De visie over de verbeterde dienstverlening steunt op vier pijlers:

  • Open communicatie

  • Actieve samenwerking

  • Servicegerichte houding

  • Efficiënte gegevenshuishouding

Op basis van deze visie werken Brabantse Delta, Aa en Maas en De Dommel samen aan een model om de dienstverlening van de Brabantse waterschappen naar een hoger niveau te tillen. We werken aan een

model waarin de klant centraal staat en waar aandacht is voor de servicegerichte houding van medewerkers.

Kwetsbaarheid

Het waterschap streeft naar een robuust beheer van de keten en het systeem. Daarmee wordt de kwetsbaarheid tegen verstoringen verminderd (zie paragraaf 3.2.1). Het is ook belangrijk dat de organisatie niet kwetsbaar wordt. Daarom hebben we personeel nodig met de juiste vakkennis en kennis van het functioneren van het watersysteem en de waterketen. Vanwege de aard van het waterschapswerk zijn de competenties duidelijkheid, samenwerken en klantgerichtheid als kerncompetentie van alle medewerkers benoemd.

3.4.1 Samenwerking met partners

Het waterschap werkt met veel partners samen. In feite doet het waterschap nooit iets alleen. Onze regio maakt deel uit van de provincie Noord-Brabant en van BrabantStad. Sociaal-economisch en maatschappelijk tekent zich echter een nieuwe ordening af, waardoor West-Brabant steeds meer op de Noordzuid-as is georiënteerd. Daarom zijn de Stadsregio Rotterdam, Drechtsteden, Zeeland, Vlaanderen en Antwerpen steeds belangrijkere samenwerkingspartners. In de komende planperiode zal deze samenwerking nog verder toenemen. Het bestuur stelt in de Kadernota 2015-2025 het volgende over samenwerking:

Kader het waterschap werkt met andere partners samen

Onder ‘kwaliteit’ kan worden verstaan: het leveren van een maatschappelijke toegevoegde waarde. De basis van de samenwerking blijft voor het waterschap altijd liggen in de eigen beheertaken. Wat kan het waterschap met het eigen beheer doen om een maatschappelijke toegevoegde waarde te leveren? Aanvullend stellen wij de vraag wat partnerorganisaties, ondernemers en burgers kunnen bijdragen aan de beheertaken van het waterschap.

Samenwerking is de basis voor ons werk en daarom ook een kerncompetentie voor onze medewerkers. We werken samen, omdat we apart slechts één onderdeel vormen van het geheel:

  • De zuiveringstechnische werken van het waterschap vormen een onderdeel van de gehele afvalwaterketen.

  • De verwerking van afvalstoffen is slechts een onderdeel van de gehele productieketen.

  • Het watersysteem is slechts één van de onderdelen uit het milieubeheer (bodem, water en lucht).

  • Het stroomgebied binnen het werkgebied van waterschap Brabantse Delta vormt een deel van de internationale stroomgebieden Maas en Schelde. We kiezen ook de optimale schaalgrootte om zaken samen met andere beheerders op te pakken:

    • -

      Lokaal: samenwerking met gemeenten

    • -

      Regionaal: samenwerking met Brabantse waterschappen en Rijkswaterstaat

    • -

      Nationaal: samenwerking via de Unie van Waterschappen en met ministeries.

    • -

      Internationaal: de uitvoering van grensoverschrijdende projecten met Vlaamse partners

  • Kennis over goed waterbeheer willen we met elkaar delen: wat wij hier doen kan elders in de wereld nuttig zijn en andersom. Door de kracht van de overheid, de ondernemers en de kennisinstellingen te bundelen kan er meer bereikt worden: 1+1+1 = 4

Foto gezamenlijk vlaams-nerderlands onderzoek

De watersysteemdoelstellingen voor de stroomgebieden van Mark-Dintel-Vliet, Aa of Weerijs, Merkske, Strijbeekse Beek, de Molenbeek en het Vennencomplex Groote Meer kunnen niet (volledig) gerealiseerd worden zonder samenwerking met Vlaamse partners (waaronder de Vlaamse Milieumaatschappij en de provincie Antwerpen). In samenwerkingsovereenkomsten worden afspraken vastgelegd over doelen, maatregelen, monitoring, (muskus-)rattenbestrijding, onderhoud (inclusief exotenbestrijding) onderzoek en water-gerelateerde calamiteiten. Ook verkent het waterschap samen met de Vlaamse partners continu kansen voor Europese subsidies.

Als gevolg van de afspraken in het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW, 2011) is tijdens de afgelopen periode sterk ingezet op samenwerking in de afvalwaterketen. Ook de samenwerking in gebieden (regionaal en grensoverschrijdend) is versterkt.

De ambities zijn schematisch weergegeven:

  • De intensieve samenwerking in de afvalwaterketen wordt voortgezet. Uit het Bestuursakkoord Water volgt de opgave om in de afvalwaterketen een doelmatigheidswinst te behalen die landelijk oploopt tot € 380 miljoen per jaar in 2020.

  • Met het oog op terugwinning van grondstoffen zal de samenwerking in de productieketen toenemen.

  • Door de forse opgaven voor de aanpak van regionale en primaire keringen (paragraaf 3.1.1) en de noodzakelijke gebiedspecifieke uitwerking van de afspraken uit het Deltaprogramma, krijgt de samenwerking met gebiedspartners een verdere impuls. Het resultaat hiervan is: meer gezamenlijke plannen, uitvoeringsprojecten en onderhoudswerk (passend binnen de wettelijke kaders).

  • Op het gebied van kennis en innovatie zal de samenwerking tussen ondernemers, overheid en onderzoeksinstellingen (en onderwijs) worden versterkt. Daarnaast zal ook meer worden ingezet op kennisdeling (en etaleren van mooie resultaten).

  • Het waterbeheer wordt steeds meer als onderdeel van het milieubeheer (lucht, water en bodem) beschouwd. Dit krijgt in de planperiode een impuls met de vaststelling van de Omgevingswet.

Afbeelding ambities in samenwerking

Er ligt echter wel een ondergrens aan het uitbesteden van werk. Het waterschap wil calamiteiten van enige omvang snel en vakkundig kunnen afhandelen. Daarop is de grootte van het personeelsbestand van mensen in de technische, uitvoerende diensten gebaseerd.

3.4.2 Partner in crisisbeheersing

De waterschappen in Nederland willen in de periode tot 2020 groeien van een calamiteitenbestrijder naar een partner in crisisbeheersing. In 2020 vormen de waterschappen een (veer)krachtig partnerschap in crisisbeheersing. Zowel in de voorbereiding als in de feitelijke bestrijding van crises. De waterschappen zetten in de samenwerking met hun crisispartners graag de volgende stap naar verdere professionalisering. Succesfactoren daarbij zijn kwaliteit, efficiëntie, uniformeren, elkaar kennen, erkennen en begrijpen. Om dit te bereiken zijn diverse subdoelen voor 2020 vastgesteld:

  • Risico- en crisiscommunicatie behoren tot de kerncompetenties van de waterschappen.

  • Waterschappen hebben uniforme crisisorganisaties en gelijke crisisplannen.

  • Waterschappen hebben vakbekwame sleutelfunctionarissen.

  • Elk waterschap deelt informatie volgens de Netcentrische Werkwijze.

  • Er is een collectieve aanschaf en inzet van middelen.

  • Er is een kennisbank, een kennisnetwerk en een kennispool.

  • Waterschappen voldoen aan de vastgestelde kwaliteitscriteria.

Waterschap Brabantse Delta onderschrijft deze gezamenlijke doelen.

Uniformiteit en netcentrisch werken

Uniformiteit is een voorwaarde om daadwerkelijk veerkrachtig te zijn en succesvol te kunnen samenwerken met netwerkpartners. Bijvoorbeeld in werkwijzen en –methoden, (crisis)plannen en -organisaties, crisismanagementprocessen, informatievoorziening en opleiden, trainen en oefenen. Waar mogelijk werken alle waterschappen uniform volgens de gedachte van het netcentrisch werken. Zij ontwikkelen één uniforme basismethode en ontsluiten en delen een gezamenlijk waterbeeld met de crisispartners. Dit netcentrisch werken is als volgt omschreven:

“Een op ieder willekeurig moment, voor alle betrokkenen (multidisciplinair), beschikbaar (operationeel) totaalbeeld, centraal ontsloten. Op basis van dat beeld geven alle betrokkenen de eigen beeld-, oordeel- en besluitvorming verder vorm.”

Cruciaal hierbij is dat betrokken ambtenaren en bestuurders bij de netcentrische werkwijze zich bewust zijn van hun handelen. Informatie die zij netcentrisch delen is direct zichtbaar voor de eigen organisatie, maar ook voor netwerkpartners. Er zijn dan geen tussenlagen meer die de informatie beoordelen en doorsturen. Deze manier van werken wordt ook ontwikkeld voor de bediening van kunstwerken in het dagelijks waterbeheer (zie paragraaf 4.4).

3.4.3 Assetmanagement

Met assetmanagement verbeteren we het beheer van onze bezittingen. Voorbeelden van assets zijn zuiveringsinstallaties, gemalen, keringen, transportleidingen, stuwen, sluizen en duikers. Ook waterlopen, waterbergingsgebieden en ecologische verbindingszones zijn assets. Assetmanagement moet ervoor zorgen we de risico’s beheersen (zie paragraaf 3.1) volgens de vastgestelde afspraken en dat de doelen voor de ontwikkeling van het systeem gehaald worden (zoals beschreven in paragraaf 3.2 en 3.3). Als afzonderlijke assets tijdelijk minder goed functioneren, is dat minder relevant zolang de werking van het systeem door de overige assets nog geborgd blijft.

Het waterschap past deze methodiek toe bij de inventarisatie en beoordeling van risico's, de keuze van voorkeurvarianten in projecten en bij de prioritering van investeringen. In hoofdlijnen komt de assetmanagementmethodiek neer op:

  • Levenscyclus denken en handelen;

  • Focus op de prestaties van het gehele systeem, in plaats van afzonderlijke objecten.

  • Toetsing op bijdrage aan bedrijfswaarden;

  • Risicobeoordeling en scenariobenadering.

In de planperiode wil het waterschap:

  • Werken volgens de methodiek van assetmanagement

  • Het informatiemanagement van de assets op orde hebben. De juiste gegevens zijn vastgelegd en wijzigingen zijn binnen afgesproken termijnen verwerkt. Juist in de dynamiek van het watersysteembeheer is dit een grote uitdaging.

  • Het onderhoud aan waterlopen en ecologische verbindingszones op een kosteneffectieve wijze uitvoeren.

Informatiemanagement op orde

Voor een goed assetmanagement is het belangrijk dat de informatie over de assets goed op orde is. Het gaat dan om gegevens als:

  • Identificatie: Wat is het? Waar is het?

  • Conditie: Hoe staat het erbij?

  • Prestatie: Wat doet het? Wat heeft het in het verleden gedaan? Wat had het moeten doen?

  • Geld: Wat mag het leveren van de prestatie kosten?

Bij de zuiveringstechnische werken (zuiveringsinstallaties, pompen en transportleidingen) worden veranderingen aan de assets veelal alleen uitgevoerd in opdracht van het waterschap. In het watersysteem en bij keringen worden ook veel veranderingen door derden aangebracht. Belangrijke veranderingen worden via vergunningen of maatwerkvoorschriften bij algemene regels gereguleerd. Het actueel houden van de gegevens over de assets is voor de komende planperiode een belangrijk aandachtspunt.

Kosteneffectief onderhoud

Het waterschap is en blijft beheerder van de keringen (dijken), het oppervlaktewater (kwantiteit en kwaliteit) en de zuiveringstechnische werken. Het vastleggen van prestatie-eisen van objecten leidt tot een bepaald onderhoudsregime, dat door het waterschap of derden wordt uitgevoerd. Prestatie-eisen gaan over de beschikbaarheid van voorzieningen, de acceptabele faalkansen en over de toegevoegde waarde (zoals cultuurhistorie en ecologie) ervan.

In verschillende werkeenheden kijken waterschap en gemeenten waar er kostenvoordelen mogelijk zijn in het onderhoud van de openbare ruimte en in beheer en onderhoud van de afvalwaterketen.

Integraal beheer bij 1 organisatie

Voor enkele situaties worden met andere waterbeheerders afspraken gemaakt over de overdracht van beheertaken. Dit heeft als doel om het integraal beheer bij één organisatie te houden. Zo wordt het beheer van de keringen langs het Markkanaal overgedragen van Rijkswaterstaat naar het waterschap, omdat het waterschap ook beheerder is het oppervlaktewatersysteem.

4. Uitvoeringsstrategie

In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het waterschap invulling geeft aan de verschillende integrale doelen (zie hoofdstuk 4). Deze uitvoeringsstrategie wordt jaarlijks met de Kadernota geactualiseerd. Zo kan het waterschap flexibel blijven inspelen op actuele ontwikkelingen, zonder de doelen uit het oog te verliezen. De uitvoeringsstrategie in dit plan is gericht op de primaire processen voor het beheer van watersysteem en waterketen. De opbouw is gelijk aan de programma’s uit de Kadernota. Alleen de ondersteunende programma’s heffing en invordering en bestuur en externe communicatie zijn in dit plan niet nader toegelicht. Deze zijn namelijk geen onderdeel van de scope van het waterbeheerplan.

In de uitvoeringsstrategie voor het beheer van het watersysteem maken we onderscheid in: verbetermaatregelen (inrichting), onderhoud en beheer. Deze thema’s komen in de komende paragrafen regelmatig terug.

Voor alle programma’s geld de volgende strategie: Bij investeringen wordt gekeken naar de kosten tijdens de gehele levenscyclus (Life Time Cycle). Zo worden de totale kosten van aanleg, onderhoud en beheer integraal beschouwd. Weten wat de staat en toestand is van de bezittingen van het waterschap (assets) staat of valt met het beschikbaar hebben van de juiste informatie en de werkprocessen om die informatie ook actueel te houden. De basis moet op orde zijn. Dit is in de komende planperiode een belangrijk aandachtspunt.

4.1 Kostenoverzicht per programma

Het bestuur wil de lastenstijging en tariefontwikkeling zo gematigd mogelijk laten verlopen. Daarom ligt de focus voor het bestuur op de kerntaken. Het waterschap wil zijn tarieven met niet meer dan 2,5% per jaar plus inflatie laten stijgen. Dit sluit goed aan op de oproep van de Tweede Kamer tot een gematigde lastenontwikkeling. De Kadernota brengt daarom de lastenstijging voor specifieke voorbeeldcategorieën in beeld.

Het waterschap bespaart kosten door effectief samen te werken met andere partners. De uitvoeringsstrategie is voor diverse inrichtingsprojecten gebaseerd op cofinanciering door andere partners:

  • De eigen bijdrage van het waterschap voor de verbetering van primaire keringen is 10%. De overige 90% wordt vanuit het landelijke fonds voor primaire keringen betaald. Alle waterschappen hebben hierin een bijdrage, onafhankelijk van de eigen keringen. Zo wordt invulling gegeven aan het gelijkheidsbeginsel in Nederland rondom waterveiligheid.

  • De eigen bijdrage voor het op norm brengen van de regionale keringen is 100%. Het Rijk financiert de extra maatregelen die nodig zijn voor de waterberging op het Volkerak-Zoommeer.

  • Er is rekening gehouden met 50% cofinanciering voor de inrichtingsmaatregelen van ecologische verbindingszones, beek- en kreekherstel, het opheffen van vismigratieknelpunten en het herstel van natte natuurparels.

  • Er is afgesproken dat de provincie de baggerwerkzaamheden en overige werkzaamheden aan vaarwegen voor 50% financiert. Het aandeel van 50% van het waterschap is gericht op het watersysteembeheer van deze vaarwegen.

  • Voor innovatieve maatregelen worden subsidies aangevraagd (gemiddeld 50% cofinanciering).

De indicatieve kosten van het waterschap zijn per programma weergegeven in de volgende grafiek. Deze kostenraming wordt jaarlijks geactualiseerd met de Kadernota waarbij de programmering van maatregelen door het bestuur kan worden bijgesteld.

Afbeelding kostenraming

In bijgaande tabel staan de indicatieve tarieven voor de periode 2016-2021. Deze zijn gebaseerd op de kostentoedeling die het algemeen bestuur in december 2013 heeft vastgesteld. Hierbij zijn onder andere ‘de vervuiler betaalt’ en de ‘gebruiker betaalt’ belangrijke principes. Op grond van de Waterschapswet dient het waterschap de kostentoedelingsverordening één keer in de vijf jaar geheel te herzien op basis van een breed kostentoedelingsonderzoek. In de planperiode zal de kostentoedelingsverordening dus opnieuw worden herzien.

Tabel zuiveringsbeheer watersysteembeheer

De tabel ‘Indicatie nettolasten en heffing per taak’ laat zien dat de tarieven en heffingen de komende jaren stijgen. Deze stijging wordt mede veroorzaakt door de noodzakelijke verbetering van de waterkeringen. Daarbij kunnen er geen egalisatiereserves meer worden ingezet op de lastenstijging te temperen. Het waterschap blijft zich inspannen om de tariefontwikkeling de komende jaren verder te matigen en deze voorziene stijging af te vlakken. Na 2020 is de stijging volgens het huidige meerjarenperspectief weer gematigder.

4.2 Integrale planvorming

In de vorige planperiode is de integrale uitvoering van maatregelen opgepakt op basis van de uitgevoerde integrale gebiedsanalyses. Inmiddels is de basis van die analyses vernieuwd: er zijn nieuwe modelberekeningen uitgevoerd voor de toetsing van regionale wateroverlast en voor het nieuwe beregeningsbeleid uit grondwater. Ook is er voortgang geboekt met de uitvoering van inrichtingsmaatregelen voor natuurontwikkeling. In de praktijk wordt het uitvoeringswerk soms nog sectoraal opgepakt. Zo wordt er bij het herstel van natte natuurparels bijvoorbeeld niet gekeken hoe het peilbeheer in het gehele deelstroomgebied beter kan. Die behoefte aan een meer integrale gebiedsaanpak leeft zowel bij het waterschap als bij de gebiedspartners.

Het waterschap wil daarom samen met gebiedspartners watergebiedsprogramma’s voor (deel-)stroomgebieden gaan opstellen. Omdat dit niet voor alle negentien (deel-)stroomgebieden tegelijk zal lukken, is er een prioritering gemaakt op basis van de grootte van de maatschappelijke risico’s per thema. Ook is gekeken waar ontwikkelkansen voor een duurzamere leefomgeving liggen. Omdat dit een nieuwe manier van werken betreft zal eerst ervaring worden opgebouwd met het ontwikkelen van een doelmatige aanpak in een eerste (deel-)stroomgebied. Een geclusterde aanpak van een aantal (deel-)stroomgebieden behoort hierbij tot de mogelijkheden. Maatwerk voor (clusters van) (deel-)stroomgebieden is hierbij belangrijk.

Afbeelding prioriteiten watergebiedsprogramma’s

De achtergronden bij deze prioriteiten worden per gebied toegelicht in de bijlage gebiedsspecifieke aandachtspunten. De kaarten met prioriteiten per thema (wateroverlast, peilbeheer, ecologie en waterveiligheid) zijn opgenomen in de kaartenbijlage van dit plan.

Kader Jac Hendriks

In essentie is watergebiedsprogrammering geen eenmalige actie, maar een continu proces om de ambities en doelstellingen van het waterbeheerplan ter vertalen naar gebiedsgerichte afspraken. Het gaat dan feitelijk om het gebiedsgericht verder zetten van de partnerdialoog in een voortdurende zoektocht naar meekoppelkansen van wateropgaven met ruimtelijke trends en ontwikkelingen en maatschappelijke trends en initiatieven. Kaartbeelden zullen hierbij een belangrijke rol spelen. Inzet van het waterschap is om de maatschappelijke betrokkenheid bij de uitvoering van inrichtings- en beheermaatregelen te vergroten.

Het waterschap voorziet dat een watergebiedsprogramma in beginsel nader uitwerkingskaders biedt voor:

  • Afspraken over maatregelen over het peilbeheer. We zullen peilenplannen voor alle gebieden opstellen (niet alleen een actualisatie voor de peilbeheerste gebieden). De peilenplannen worden voor peilbeheerste gebieden verankerd in de actualisatie van de betreffende peilbesluiten. Met deze afspraken geven we invulling aan:

    • -

      afspraken die gemaakt zijn met de maatschappelijke partners in de Intentieovereenkomst beregenen uit grondwater (d.d. 31 januari 2014).

    • -

      afspraken over het vastleggen van het voorzieningenniveau conform de Deltabeslissing voor zoet watervoorziening en afspraken in het kader van Deltaplan hoge zandgronden.

  • Onderbouwing van de doelen die we op het gebied van ecologie verwachten te halen, op basis van de maatregelen die we samen met partners tot en met 2027 zullen gaan uitvoeren. Dit is nodig voor de Europese Kaderrichtlijn Water.

  • Kansen voor maatregelen om het systeem robuust te maken, gelet op de klimaatscenario’s voor 2050.

  • Afspraken over de uitvoering van specifieke maatregelen in het kader van waterveiligheid, wateroverlast, droogte en ecologie (KRW) en combinaties met andere maatschappelijk relevante projecten (wie doet wat en wanneer).

Op het gebied van planvorming is er in de planperiode speciale aandacht voor:

  • grensoverschrijdende samenwerking. Met Vlaamse partners worden er stroomgebiedsvisies opgesteld en/of afspraken gemaakt over de uitvoering van taken in de grensoverschrijdende wateren zoals de Mark, de Aa of Weerijs, de Molenbeek, het Merkske, de Strijbeekse beek en het Vennencomplex Groote Meer;

  • meer samenwerking tussen ondernemers, overheden en onderwijsinstellingen.

  • samenwerking met de landbouwsector voor gebiedsgerichte uitwerking van het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW)

  • kennisontwikkeling over het functioneren van het watersysteem, de evaluatie van de effecten van maatregelen (zie hoofdstuk 5) en de evaluatie (en eventuele bijstelling) van het beleid.

  • de uitvoering van nieuwe toetsingen op basis van actuele normen. De algemene regels en maatwerkvoorschriften voor zuiveringsinstallaties zullen in de planperiode worden geactualiseerd. De regels voor de toetsing wateroverlast in de provinciale verordening worden bijgesteld op basis van de resultaten van de toetsing uit 2014.

  • advies aan gemeenten hoe invulling te geven aan afspraken over stedelijke klimaatadaptatie, zoals vastgelegd in het nationale Deltaprogramma. Het waterschap kijkt daarbij ook samen met gemeenten naar de gewenste gebruiksfuncties van het water en de concretisering van de functionele eisen die dan aan het waterbeheer worden gesteld. Daarbij zullen niet alle wensen werkelijkheid kunnen worden.

  • operationeel beleid. We willen het beleid compleet en actueel houden in verband met de ontwikkelingen in het gebied en in regelgeving. Het gaat dan om de beleidsregels, leggers, peilbesluiten, calamiteitenplannen en dergelijke.

  • advies aan terreinbeheerders (zoals gemeenten en natuurbeheerders). Hoe worden gewenste doelen bereikt voor stagnante wateren die niet in onderhoud van het waterschap zijn? Het kan dan gaan over zwemwateren, over vennen of over stadswateren.

  • samen met partners invulling geven aan de noodzakelijke voorlichting en educatiemateriaal om het waterbewust gedrag van burgers en bedrijven te stimuleren (zie ook paragraaf 4.7)

4.3 Beheer van waterkeringen

Inrichting

De resultaten van de derde toetsing leiden tot verbetering van de primaire keringen. Die verbetering vindt plaats tijdens vier projecten van het Hoogwater Beschermingsprogramma in de periode tot en met 2028. De herstelmaatregelen die in de planperiode worden uitgevoerd zijn weergegeven op de kaart ‘maatregelen primaire keringen’. Het meest urgente project (Geertruidenberg en Amertak) verkeert nu in de verkenningsfase. Naar verwachting wordt deze fase medio 2017 afgerond. Het waterschap zal met de noodzakelijke verbetermaatregelen uit de derde toetsingsronde zo goed mogelijk rekening houden met de nieuwe normen, die voor de vierde toetsingsronde worden ontwikkeld. Door de meest recente inzichten voor de nieuwe normering mee te nemen, voorkomen we zoveel mogelijk dat een aangepast traject bij een volgende toetsingsronde opnieuw afgekeurd zal worden.

Daarnaast worden de primaire keringen langs het Volkerak-Zoommeer aangepast aan de waterberging. Dit gebeurt in het kader van de Ruimte voor de Rivier-maatregel Waterberging Volkerak-Zoommeer. Dit project is eind 2015 grotendeels afgerond. De nazorgfase zal in 2016 worden afgerond. Het waterschap heeft het voornemen om het beheer van de dijk langs de westelijke oever van het Drongelens Kanaal over te nemen van Rijkswaterstaat. Daarmee samenhangend is ook de verbetering van deze kering, in opdracht van Rijkswaterstaat, voorzien voor deze planperiode.

De verbetering van de regionale keringen (aanpassing aan nieuwe norm en maatregelen voor de waterberging VZM) vindt plaats in de periode tot en met 2023. Daarbij gaat het om de aanpassing aan de nieuwe provinciale norm (beschermingsniveau 1/100 jaar in plaats van 1/50 jaar) en om de aanpassing van de regionale keringen aan de effecten van de maatregel waterberging Volkerak-Zoommeer. Samen met de gebiedspartners zal het waterschap nog een specifieke planning uitwerken. In de periode tot en met 2016 wordt een aantal waterkerende kunstwerken in de regionale keringen hersteld en wordt in het regionaal stelsel een aantal beheersmaatregelen getroffen om risico’s op wateroverlast vanwege de waterberging VZM te beperken. De verbetering van de regionale keringen langs het Markkanaal zal vermoedelijk ook in de planperiode worden uitgevoerd. Deze keringen zijn nu nog in beheer bij Rijkswaterstaat Zuid-Nederland, maar Rijkswaterstaat en het waterschap zijn voornemens het beheer hiervan over te dragen aan het waterschap nadat verbetermaatregelen zijn uitgevoerd.

foto Onderhoud aan de waterkering

kader Winnend idee uit de partnerdialoog

Beheer

Naast vergunningverlening en handhaving (zie paragraaf 4.6) zijn het keringenbeheer de volgende acties nodig:

  • Het toetsen van de primaire, regionale en overige keringen.

  • Verwerving van de eigendommen van primaire keringen.

  • Uitwerking van de wijze waarop het waterschap omgaat met de zorgplicht voor de waterkeringen.

  • Bestrijding van muskusratten met zo min mogelijk dierenleed

  • Het versterken van de relatie met gebruikers van en bewoners langs dijken.

Zorgplicht

De zorgplicht vereist dat het waterschap beschikt over een Inspectieplan, waarin is aangegeven hoe de keringen worden geïnspecteerd. In de voorbereiding van de Vierde Toetsing (uit te voeren in 2018) worden bijvoorbeeld de Niet-Waterkerende Objecten op onze primaire keringen geïnventariseerd, zoals bomen, huizen en tuinen. Het doel is om de impact op de veiligheidssituatie van de keringen te bepalen en na te gaan óf en hoe het object vergund is.

Kader Zorgplicht

Muskusrattenbestrijding

Het waterschap werkt mee aan een landelijk, wetenschappelijk onderzoek om na te gaan of de bestrijding van muskusratten gerichter, efficiënter en met minder dierenleed kan. In het buitengebied van Dinteloord wordt in een periode van drie jaar onderzocht hoe de muskusrattenpopulatie zich ontwikkelt wanneer muskusratten alleen worden bestreden op voor de veiligheid belangrijke locaties, zoals dijken, kaden en taluds. Tegelijkertijd onderzoeken de muskusrattenbestrijders het effect van deze aanpak op de overige oevers in het gebied. Dat gebeurt door de ontwikkelingen in het gebied nauwgezet te monitoren, zoals de eventuele groei van de populatie en schade. Bij de uitvoering van dit onderzoek staat de bescherming van het betreffende gebied voorop. Dat betekent dat het waterschap goed in de gaten houdt wat er gebeurt. Eventuele schade in het onderzoeksgebied wordt zo snel mogelijk in beeld gebracht en in overleg met de eigenaar gerepareerd.

Relatie met gebruikers en bewoners versterken

Wat dijken zulke specifieke beheerobjecten maakt, is dat ze vaak intensief gebruikt worden. Er lopen wegen over, er staan huizen met tuinen langs, vaak lopen er wegen overheen en er groeien bomen op. Aan de andere kant vervullen de dijken een veiligheidsfunctie. Dat kan bijten en vraagt om begrip voor de veiligheidsfunctie bij die gebruikers. Een communicatiestrategie die specifiek gericht is op het leggen en onderhouden van de relatie met die gebruikers is daarom belangrijk. Hiervoor wordt een communicatiestrategie opgesteld en uitgevoerd. Het is goed wanneer de keringen diverse maatschappelijke functies vervullen, zolang het hoofddoel: ‘veiligheid tegen overstromingen binnen de vastgestelde risico’s’ maar gewaarborgd blijft.

Onderhoud

Het waterschap voert het onderhoud uit conform het algemeen onderhoudsplan voor waterlopen en waterkeringen. Het waterschap wil in principe twee typen maaibeheer toepassen: natuurtechnisch en aangepast agrarisch beheer. Bij aangepast agrarisch beheer vindt naast maaibeheer ook begrazing door schapen plaats. In sommige gevallen past het waterschap bij bebouwing gazonbeheer toe. Het waterschap gebruikt vrijwel geen chemische bestrijdingsmiddelen bij het onderhoud van de keringen.

Het waterschap voert een proef uit naar de impact van beweiding door schapen op de functie van de primaire keringen en specifiek op de kwaliteit van de grasmat van de kering. De grasmat is een essentieel onderdeel van de bescherming van de kering. Het doel is na te gaan wat wél en niet acceptabel is met betrekking tot beweiden van schapen.

4.4 Watersysteembeheer

Inrichting en verbetering

Het waterschap kiest waar mogelijk voor oplossingen die zoveel mogelijk aansluiten bij en gebruikmaken van natuurlijke omstandigheden (bouwen met de natuur). Denk dan bijvoorbeeld aan het gebruik van dood hout in de beek in plaats van beton en stortstenen. Als dit vanwege veiligheidsredenen of kostentechnische redenen niet kan, neemt het waterschap technische maatregelen.

Kaderrichtlijn Water (KRW)

De waterkwaliteitsnormen voor het Nederlandse oppervlakte- en grondwater zijn grotendeels vastgelegd in nationale wet- en regelgeving. De ecologische doelstellingen voor de KRW-oppervlaktewaterlichamen in het beheergebied van het waterschap zijn vastgelegd in het Provinciaal Milieu- en Waterplan van Noord-Brabant. Nederland rapporteert over de KRW doelen en maatregelen aan de Europese Commissie door middel van de zogeheten stroomgebiedbeheerplannen. Voor Brabantse Delta gaat het dan om de stroomgebiedbeheerplannen van Maas en Schelde. Zie kaart 4 voor een overzicht van de KRW-oppervlaktewaterlichamen in het beheergebied van Brabantse Delta. Op het landelijke waterkwaliteitsportaal van het Informatiehuis Water zijn de gegevens over doelen, waterkwaliteit en maatregelen per waterlichaam bijeengebracht in een zogeheten ‘factsheet’ (www.waterkwaliteitsportaal.nl in het menu ‘rapportages’).

Het waterschap is verplicht om zijn KRW-maatregelen op te nemen in het waterbeheerplan. Een belangrijk deel van de maatregelen om de KRW-doelstellingen voor ecologie en waterkwaliteit te halen bestaat uit inrichtings- en verbetermaatregelen. Deze worden waar mogelijk gecombineerd met maatregelen voor vermindering van de risico’s op wateroverlast en -tekort. In 2009 heeft het waterschap bij de Europese Commissie een KRW-maatregelenpakket opgegeven voor de eerste termijn (2010-2015). Dit is realistisch gebleken. Het totale volume aan te (her-)inrichten gebied (in kilometers en hectares) is voor het hele beheergebied gerealiseerd. Daarbij zijn er wel (toegestane) verschuivingen opgetreden in de verdeling over de waterlichamen en type maatregelen.

Tabel 1 toont de verdeling van de geplande KRW-maatregelen over de tweede termijn (2016-2021) en derde termijn (2022-2027). Voor de tweede termijn (dit waterbeheerplan) is de indicatieve maatregelopgave per waterlichaam gebaseerd op de prioriteiten voor de verschillende gebieden. Bij de verdeling over de twee perioden is uitgegaan van een evenwichtige verdeling van de investeringskosten, waarbij de passendheid in de meerjarenbegroting (Kadernota) een belangrijke randvoorwaarde vormt. Zie bijlage 3 voor een detailoverzicht per KRW-waterlichaam. De maatregelen worden gerapporteerd in kilometers en ha gebied wat is aangepakt. De uitvoering van deze maatregelen is gericht op het realiseren van de doelen (= gewenste effecten) zoals geformuleerd in paragraaf 3.2.3.

Tabel 1: Gefaseerd KRW-maatregelpakket voor (her-)inrichting van watersystemen

Nederland heeft met de Europese Commissie en de andere Europese lidstaten afgesproken gebruik te maken van de KRW-uitzonderingsbepaling voor een gefaseerde realisatie van maatregelen in drie termijnen. Inzet hierbij is dat uiterlijk in 2027 de doelen voor de waterlichamen zijn gerealiseerd. Volledige doelrealisatie in 2015 zou immers tot disproportionele maatschappelijke kosten hebben geleid. In Nederland is de afspraak gemaakt dat we voor aanvang van de derde termijn (uiterlijk in 2021) een besluit zullen nemen over het bijstellen van het KRW-maatregelpakket voor de derde termijn en het al dan niet aanpassen van de ecologische KRW-doelstellingen. Ter voorbereiding zal het waterschap in deze planperiode onderzoek uitvoeren naar haalbare en betaalbare KRW-doelen en maatregelen (de zogeheten watersysteemanalyses; zie ook paragraaf 4.2 over integrale planvorming).

Waterschappen, Rijkswaterstaat, provincies en gemeenten nemen gebiedsgerichte maatregelen om de toestand van waterlichamen te verbeteren, in aanvulling op het landelijke beleid (KRW-artikel 11, lid 4). Vaak zijn KRW-maatregelen onderdeel van projecten die meerdere doelen dienen en ook gezamenlijk worden gefinancierd. Zo kan in het kader van gebiedsontwikkeling een hermeandering van een beek samengaan met de aanleg van een vistrap, een waterretentiegebied en een fietspad. Meekoppelen met andere wateropgaven, natuur, recreatie en cultuurhistorie (ofwel: de integrale projectaanpak) is de regel. Omwonenden worden vaak nauw betrokken bij de uitvoering. Private partijen doen soms actief mee in de totstandkoming van een project. Dit zijn belangrijke voorwaarden voor kosteneffectiviteit en draagvlak. Tegelijk brengt de gezamenlijke financiering een risico met zich mee. Als één van de partners een toezegging niet kan nakomen, kan een deel of het hele project soms niet worden uitgevoerd conform eerdere toezeggingen. Voor de KRW-maatregelen die het waterschap laat opnemen in de nationale KRW-stroomgebiedsbeheerplannen voor Maas en Schelde geldt daarom het volgende voorbehoud:

Kader Disclaimer bij het KRW-maatregelpakket

De inrichtingsmaatregelen van de grensoverschrijdende beken, zoals het Merkske, de Mark, de Strijbeekse Beek en de Molenbeek bij Roosendaal worden afgestemd met de Vlaamse partners. De afspraken over onderhoud van de grensoverschrijdende en grensvormende waterlopen (zoals vastgelegd in de samenwerkingsovereenkomst uit 2008), worden voortgezet en indien nodig geactualiseerd.

Het waterschap wil ook kansen benutten om braakliggende terreinen (van het waterschap of van anderen) een tijdelijk bestemming te geven voor de doelen van het waterbeheer. Denk bijvoorbeeld aan een tijdelijke waterberging, in afwachting van uitvoering van een ander project.

In de planperiode zet het waterschap ook extra in op waterconservering en peilopzet in agrarische gebieden. Hiermee willen we de aanvulling van grondwater stimuleren, zodat er voldoende grondwater beschikbaar blijft voor natuur en landbouw, ook in droge perioden. Dit wordt in de integrale gebiedsaanpak meegenomen. Bij vervanging van drainages rond natte natuurparels worden peilgestuurde drainages toegepast. Dat is in de Keur en bijbehorende regels van het Waterschap vastgelegd.

Foto Onderhoud met de maaiboot

Onderhoud: maaien

Bij watersystemen is de wijze van onderhoud via de keur en legger geregeld. Het is gekoppeld aan de categorie-indeling van de waterlopen:

  • ·

    A-wateren worden door een overheid onderhouden (veelal het waterschap)

  • ·

    B- en C-wateren worden door derden onderhouden

In het onderhoud van waterlopen maakt het waterschap onderscheid in maaifrequenties en in de mate waarin gedifferentieerd maaibeheer wordt uitgevoerd over de lengte van de waterlopen. Het gaat dan om blokken met begroeiing die gespaard worden. De algemene werkwijze is vastgelegd in het algemeen onderhoudsplan voor waterlopen en waterkeringen (2008). Maaibeheer heeft altijd als eerste prioriteit om wateroverlast te voorkomen. Daar waar de waterlopen voldoende afvoercapaciteit hebben, verhoogt het gedifferentieerd onderhoud de ecologische waarde. In de planperiode zal het areaal gedifferentieerd onderhoud verder toenemen, bijvoorbeeld door de aanleg van natuurvriendelijke oevers langs ecologische verbindingszones. Wordt beschoeiing vervangen, dan legt het waterschap tegelijkertijd zoveel mogelijk flauwe oevers aan. Dit bespaart niet alleen kosten, maar geeft ook ruimte voor extra waterberging.

Bij waterlopen in grote aaneengesloten natuurgebieden wordt geen onderhoud uitgevoerd, op voorwaarde dat er geen risico’s op wateroverlast ontstaan voor de bovenstroomse gebieden (bijvoorbeeld bij de Regte Heide). Het gedifferentieerd onderhoud in de KRW waterlichamen is als KRW maatregel opgenomen in de stroomgebiedbeheerplannen voor de Maas (258 km) en Schelde (36 km).

In de planperiode onderzoekt het waterschap of er op meer plaatsen onderhoudsvrije beken kunnen komen, die alleen incidenteel onderhouden worden als daar risico’s op wateroverlast ontstaan. Soms zijn obstakels in waterlopen namelijk gunstig voor de stromingsdynamiek en de ecologische waarde. Dit plan zal samen met de watergebruikers worden vormgegeven en verankerd worden in een aangepast algemeen onderhoudsplan.

In de werkeenheden van de afvalwaterketen werken waterschap en gemeenten samen aan het benutten van kansen voor kostenverlaging in het onderhoud van waterlopen. Het grootste deel van het onderhoud wordt uitbesteed. Ook onderhoud van groenelementen kan soms effectief door derden worden uitgevoerd. Hoewel dus veel wordt uitbesteed, wil het waterschap met eigen materieel en eigen mensen snel kunnen blijven inspelen op calamiteiten van enige omvang (zoals wateroverlast in een zomerperiode in twee deelgebieden). Met dit materieel blijft het waterschap altijd een basishoeveelheid zelf onderhouden (ongeveer 10% van het totale areaal). Dit betreft vooral het meer specialistische onderhoud van groenelementen zoals de keringen, waterbergingen en ecologische verbindingszones.

Naast de doelen voor voldoende water en een goede waterkwaliteit houdt het onderhoud ook rekening met initiatieven voor recreatief medegebruik. In de maaibestekken zijn bijvoorbeeld al diverse visstoepen (verharde visstekken) opgenomen. Ook mogen hengelsporters op aangewezen plekken zelf een stuk aan de waterkant maaien om hun vislocatie uit te breiden.

Het maaisel dat bij het onderhoudswerk vrijkomt, wordt veelal naar een compostering afgevoerd. Het waterschap verkent in de planperiode kosteneffectieve alternatieven voor de verwerking van maaisel. Tijdens de proef De Kleine Kringloop is het maaisel afgezet bij lokale grondeigenaren die, het hebben ingezet voor grondverbetering. Ook verlaagde het de transportkosten voor het waterschap. Ook kan het maaisel gebruikt worden voor energielevering, door gebruik te maken van de vergistingsinstallaties die nu worden gebouwd door bedrijven in de regio. Ook kan maaisel een grondstof zijn voor papierproductie. Zo sluit ons onderhoudswerk aan bij de doelen om maatschappelijk verantwoord en vernieuwend te werken.

Onderhoud: baggeren

Waterlopen worden niet alleen regelmatig gemaaid, maar ook gebaggerd om de overmatige aanwas van slib te verwijderen. Dit kan nodig zijn om risico’s op wateroverlast en een afname van de waterkwaliteit tegen te gaan. Regelmatig controleert het waterschap daarom de diepte van watergangen. Kaart 17 (‘Meerjarenplanning baggerwerk’) toont in welk jaar een gebied beoordeeld wordt en of er sprake is van een te grote hoeveelheid bagger.

Voordat er gebaggerd wordt, wordt eerst een verplicht waterbodemonderzoek uitgevoerd om na te gaan of de te verwijderen bagger schoon is. Pas daarna bepaalt het waterschap hoe de bagger wordt verwerkt. Als het schoon genoeg is, mag het worden verspreid over het aangrenzende perceel. Dit heeft de voorkeur, omdat het de goedkoopste manier van verwerken is, met een minimale uitstoot van broeikasgassen. Op de onderzoeksplicht bestaat een uitzondering waarvan het waterschap gebruik maakt (zie Regeling bodemkwaliteit, artikel 4.3.4, lid 4). In gebieden waar geen verontreiniging wordt verwacht, is onderzoek niet noodzakelijk. De kaart ‘verdachte en onverdachte locaties voor waterbodemonderzoek’ geeft de onderzoeksinspanning per trajecten aan. Bij de verdachte locaties wordt de normale onderzoeksinspanning gehanteerd, die staat beschreven in de NEN 5720. De overige gebieden zijn onverdachte gebieden. Daar hoeven de watergangen volgens de wet dus niet onderzocht te worden voordat bagger over aangrenzend perceel wordt verspreid. Het waterschap stelt hierbij als extra voorwaarde dat de waterbodem in het verleden wel onderzocht dient te zijn en te zijn beoordeeld als ‘verspreidbaar’. Als er geen historische waterbodemgegevens bekend zijn, worden de waterlopen in onverdachte gebieden onderzocht met de lichte onderzoeksinspanning die staat beschreven in de NEN 5720.

Onderhoud aan gemalen

Bij groot onderhoud aan gemalen wordt de energie-efficiëntie verbeterd. Per gemaal beoordeelt het waterschap of het nodig is om schade aan vissen te beperken (95% overleefbaarheid). Hierbij wordt gekeken naar de gemaalkenmerken, de functietoekenning en de voorkomende vissoorten. Tijdens de trekperiode van de paling worden tijdelijke migratievoorzieningen ingezet bij de gemalen Tonnekreek en Keizersveer. Het aanbod aan migrerende vissen zal toenemen als de Haringvlietsluizen in 2018 op een kier worden gezet. Het waterschap onderzoekt in de komende planperiode welke gemalen de meeste potentie heeft voor permanente vismigratievoorzieningen. Met de geplande renovatie van gemaal Tonnekreek wordt overwogen om met cofinanciering een permanente aalgoot te realiseren.

Beheer

De ontwikkelingen in informatietechnologie leiden tot steeds meer actuele informatie over de waterkwantiteit en –kwaliteit in het gebied. Deze informatie wordt steeds meer benut in de dagelijkse sturing van het waterbeheer. Dat gebeurt vanuit het waterschapskantoor, onder de naam ‘verkeerstoren’. Het gaat dan om de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit op het juiste moment en de juiste plaats (doel risico’s beheersen). In de planperiode wordt het concept van de verkeerstoren steeds verder vormgegeven door steeds meer informatie te benutten van het waterschap, de watergebruikers en de waterpartners (doel betrokkenheid maatschappij). Zo ontwikkelen we een regionaal waterkennisnetwerk.

Tekening De verkeerstoren van het waterschap voor het dagelijks beheer

In de planperiode zal worden verkend of er kansen zijn om het concept van de slimme polder in een lokaal proefproject toe te passen (www.smartpolder.nl). Dit concept wordt samen met andere waterbeheerders via de Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA) uitgewerkt. Het temperatuurverschil van oppervlaktewater in de verschillende seizoenen kan worden gebruikt om gebouwen te verwarmen of te koelen. Zo kan een poldergemaal, dat normaal gesproken wordt ingezet bij waterbeheer, worden omgebouwd tot een energiecentrale voor duurzame thermische energie.

Soms is het noodzakelijk om de categorie-indeling van de wateren te wijzigen, gelet op het belang van waterlopen voor de uitvoering van de essentiële taken in het waterbeheer. Het waterschap maakt dan in overleg met de betrokkenen afspraken over hoe en door wie het onderhoud in de toekomst wordt geregeld. De kosteneffectiviteit staat voorop. Dit kan betekenen dat er voor bepaalde situaties specifieke afspraken worden gemaakt (zie paragraaf 4.4). Deze afspraken worden vastgelegd in de legger.

In de planperiode zijn de regels van het nieuwe Europese gemeenschappelijk Landbouw Beleid van kracht. Dit stimuleert de ontwikkeling van een duurzame landbouw. Het agrarisch beheer van groenelementen is hier een onderdeel van. Het waterschap wil de aanleg van groenelementen langs waterlopen stimuleren, zodat er een natuurlijke buffer ontstaat die de waterkwaliteit ten goede komt. Het Rijk heeft deze wens ondersteund door het areaal aan water zwaar te laten wegen in de regels voor vergroening in de landbouw. Hiermee is het doel uit de vorige planperiode bereikt: het regionale project ‘Actief randenbeheer Brabant’ is overgegaan in een landelijke regeling.

4.5 Zuiveringsbeheer

Het zuiveringsbeheer gaat over het transport en de zuivering van de overeengekomen hoeveelheid afvalwater en moet voldoen aan de eisen uit de Waterwet en later Omgevingswet (zodra deze van kracht wordt). Waar de waterkwaliteit het vereist, wordt verdergaand gezuiverd. Dit wordt in aanvullende voorschriften op de algemene regels vastgelegd. Voor enkele zuiveringen die lozen op het regionale watersysteem gelden aanvullende eisen, zoals bij Chaam, Nieuw Vossemeer en Riel.

In de planperiode zijn ook voor de rwzi’s Rijen en Kaatsheuvel aanvullende eisen nodig. Het zuiveringsbeheer gebeurt steeds duurzamer en in samenwerking met partners. Zo wordt het slib dat bij het zuiveringsproces vrijkomt voor eindverwerking afgevoerd naar de Slibverbrandingsinstallatie Noord-Brabant (SNB). Daarnaast beheert het waterschap ook installaties voor de zuivering van huishoudelijk afvalwater afkomstig van niet-gerioleerde panden. Dit zijn de installaties voor een individuele behandeling van afvalwater (IBA’s).

Om de zuiveringen kosteneffectief te beheren, zijn ze precies op maat ingericht en hebben ze weinig overcapaciteit voor verdergaande zuivering. Het waterschap heeft een aantal grote zuiveringsinstallaties die samen ongeveer 85% van het afvalwater in het werkgebied verwerken. Deze schaalgrootte biedt kostenvoordelen en kansen voor de terugwinning van stoffen. De rwzi’s Bath, Nieuwveer, Waalwijk en Dongemond hebben iets minder strenge effluenteisen voor fosfaat en stikstof. Het gezuiverde water uit deze rwzi’s wordt namelijk geloosd op de robuuste Rijkswateren. Vanwege de grote doorstroming zijn deze Rijkswateren minder gevoelig voor lozingen van deze nutriënten dan binnenwater.

Kader Keuzes in het zuiveringsbeheer

Aanvullende maatregelen bij rwzi Rijen en Kaatsheuvel

Uit watersysteemonderzoek is gebleken dat een verdere reductie van de fosfaatemissies op de rwzi Rijen en Kaatsheuvel positief zal bijdragen aan de ecologische doelstellingen voor de Kaderrichtlijn Water (doel duurzame ontwikkeling). In het stagnante watersysteem van de Beneden Donge blijkt de reductie van fosfaatemissies een sleutelfactor voor de goede ecologische ontwikkeling. Een vrachtreductie van 30% levert een aanzienlijke bijdrage aan de doelstelling voor fosfaat in oppervlaktewater (0,11 mg/l). Door die afname komen de eerder uitgevoerde inrichtingsmaatregelen (zoals de ecologische verbindingszones) beter tot hun recht. Eenzelfde emissieafname kan met alternatieve maatregelen niet worden bereikt met vergelijkbare of lagere investeringen. De analyse is gebaseerd op extra exploitatielasten voor aanvullende chemische defosfatering. Deze kan relatief eenvoudig op korte termijn worden uitgevoerd. Daarmee kan het effect in het watersysteem ook relatief snel gemonitord worden. Het blijft lastig om de werking van het watersysteem op het gebied van waterkwaliteit goed te voorspellen. Als het effect van emissiereductie onvoldoende is, kan het noodzakelijk blijken om een zogenaamde vierde trap te bouwen op één of beide rwzi’s (voor verdergaande nazuivering van het effluent). Of de vierde trap noodzakelijk is, zal binnen enkele jaren duidelijk zijn.

Aanvullende maatregelen bij rwzi Nieuwveer

Het waterschap kan op Nieuwveer nog niet de hoeveelheid water afnemen die in het afvalwaterakkoord met de gemeente Breda is afgesproken (doel risico’s beheersen). Het gezuiverde water van rwzi Nieuwveer wordt geloosd op het Hollands Diep. De capaciteit van deze afvoerleiding is beperkt: in tijden van veel neerslag kan niet alles verwerkt worden. Daardoor komt er tijdens regenbuien teveel ongezuiverd water uit de riolering op de Singels terecht. Het waterschap kan de capaciteit van de afvoerleiding niet verder vergroten. Met het oog op duurzaamheid en doelmatigheid gaat de voorkeur uit naar een afvoer (van dit incidentele overschot) op de Mark, die veel dichterbij ligt.

Om ook in de toekomst over voldoende zoetwater te beschikken, is het wenselijk om zoveel mogelijk water in het eigen beheergebied te houden (doel duurzame ontwikkeling voor economische ontwikkeling). Op de lange termijn kan het interessant worden om het water van rwzi Nieuwveer verder te zuiveren en volledig te lozen op het regionale watersysteem. In de huidige situatie toe wegen de kosten hiervan nog niet op tegen de baten. Met de toekomstige klimaatscenario’s kan dit anders worden (langere droge perioden).

Een andere aanvullende maatregel van rwzi Nieuwveer heeft te maken met de realisatie van een Energiefabriek. De rwzi Nieuwveer is hierin een speerpunt en heeft een uniek zuiveringssysteem (het AB-systeem), dat een energieneutrale zuivering mogelijk maakt. Slechts drie zuiveringen in Nederland gebruiken dit systeem. Dankzij diverse projecten werd het energieverbruik al met 76% teruggebracht. Op termijn kunnen zo aanzienlijke besparingen op de energiekosten worden gerealiseerd. Samen met leveranciers en kennisinstellingen werkt het waterschap bovendien ook nog aan volledig nieuwe technieken voor stikstofafbraak en deeltjesscheiding.

Maatregelen bij rwzi Bath

Het waterschap heeft de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in onderzoek naar en ontwikkeling van thermofiele gisting van slib (doel: duurzame energie). Het meeste onderzoek is inmiddels uitgevoerd. In 2015 bereidt het waterschap de slibgisting op de rwzi Bath voor op een grootschalige duurproef met thermofiele gisting.

Het slib op de rwzi blijkt unieke kenmerken te hebben om het bioplastic PHA te kunnen vasthouden. De rwzi biedt daarbij een kans om de techniek voor productie van bioplastic uit bacteriën verder op te schalen. Samen met diverse partners willen we het bioplastic op kleine schaal produceren, zodanig dat potentiële afnemers voldoende materiaal hebben voor hun productontwikkeling. Bioplastic uit afvalwater kan bijvoorbeeld worden toegepast in een alternatief voor vislood.

Fosfaatwinning

Het waterschap werkt met chemische defosfatering om het fosfaat uit het afvalwater te verwijderen. Het verwijderde fosfaat wordt met het zuiveringsslib afgevoerd naar SNB Moerdijk. Na terugwinning van het fosfaat uit de verbrandingsas wordt het fosfaat, met ingang van 2016, volledig hergebruikt.

Energiebesparing en energiewinning bij overige zuiveringsinstallaties

Met de maatregelen voor de Energiefabriek bij Nieuwveer en de thermofiele gisting bij Bath worden de energiedoelen voor 2020 al grotendeels behaald. Met de opgedane kennis en ervaring werken we samen met partners nieuwe maatregelen uit om ook bij de andere grote rwzi’s energie te besparen en terug te winnen (zoals Bath en Dongemond). Dit is nodig voor de doorgaande ontwikkeling naar 2030 (zie paragraaf 3.3.2).

Foto Groen warmtestation

Zon- en windenergie produceren overschotten aan energie. In sommige situaties kan het interessant zijn deze om te zetten in gas (power to gas), warmte of zelfs chemicaliën. Er zijn interessante combinaties mogelijk met de rioolwaterzuivering, doordat in sommige concepten zuurstof en waterstof wordt geproduceerd. De zuurstof is weer inzetbaar in het zuiveringsproces. Dit levert kansen om energie te bufferen in de zuiveringsinstallaties. De kansen hiervoor worden samen met een energiebedrijf uitgewerkt.

Kansen voor decentrale waterbehandeling verkennen

Decentrale waterbehandeling kan in sommige situaties voordelen bieden. Door toepassing van nieuwe sanitatieconcepten kan bespaard worden op de aanleg van een riolering. In combinatie met waterbesparende maatregelen (bijvoorbeeld vacuümtoiletten of waterloze urinoirs) wordt het ook technisch eenvoudiger om energie en grondstoffen uit huishoudelijk afvalwater te winnen. Tijdens de partnerdialoog voor dit waterbeheerplan gaven verschillende partners aan dat er op dit vlak nog te weinig gebeurt in de regio. In de planperiode worden de kansen verkend om hieraan een impuls te geven.

Risicogestuurd onderhoud

Installaties worden onderhouden om ze langer betrouwbaar en beschikbaar te houden. Door in het beheer rekening te houden met de risico’s, kunnen installaties langer onderhouden worden en kunnen investeringen voor vervanging later ingepland worden. Een voorbeeld hiervan is de bijna veertig jaar oude persleiding die aan het einde van zijn economische levensduur niet hoeft te worden vervangen, maar wel vaker geïnspecteerd moet worden en meer onderhoud nodig heeft.

Daarnaast wordt ook gekeken naar de optimale onderhoudsmix: tot welke mate is het preventief onderhoud nodig om de risico’s te beheersen.

Foto Op het terrein van een aantal zuiveringsinstallaties biedt het waterschap

Foto Onderhoud aan een zuiveringsinstallatie

Veilig werken

Het is van groot belang dat medewerkers te allen tijde veilig kunnen werken, ook in situaties waarin specifieke risico’s gelden, zoals bij explosiegevaar, werken in besloten ruimtes en tijdens ongewone werktijden (bijvoorbeeld bij calamiteiten).Hiertoe is een actieprogramma ontwikkeld, dat is samengesteld uit maatregelen om te voldoen aan de eisen uit relevante regelgeving.

Beheer

Het zuiveringsbeheer is er op gericht dat we aan alle lozingseisen van de rioolwaterzuiveringsinstallaties voldoen. Zowel voor stikstof als fosfaat geldt een verplichting voor het beheergebied-breed zuiveringsrendement van 75%. In de praktijk wordt een veilige marge gehanteerd en wordt gestuurd op een fosfaat-verwijdering van 76% en een stikstofverwijdering van 78-80%.

Na de studies voor optimalisatie van het Afvalwater Systeem (OAS) zijn de investeringen, die voortvloeiden uit de zogenaamde Basisinspanning, heroverwogen. Hierbij is in de gedachtegang van het Bestuursakkoord Water van 2011 nadrukkelijk gekeken naar het te verwachten effect van de voorgenomen maatregelen. Dit heeft geleid tot enorme besparingen in investeringen. Door de berging in de gemeentelijke rioolstelsels slim in te zetten én selectief om te gaan met riooloverstorten kan de effectiviteit van de bestaande infrastructuur verder worden benut (real time control). Dit wordt nog belangrijker met de toenemende regenintensiteit als gevolg van de klimaatverandering. Gelet op de complexiteit van het systeem voor inzameling en transport van afvalwater (o.a. AWP), is het noodzakelijk om een effectief meet- en regelsysteem op ketenniveau te hebben dat beheer en bediening van de afvalwaterketen in goede banen leidt. Wellicht is ook een hogere personele inzet nodig om het complexe systeem te bedienen. Deze manier van sturen wordt momenteel ontwikkeld onder de werktitel Verkeerstoren.

In de Verkeerstoren is uitwisseling van informatie tussen gemeenten en waterschappen belangrijk. De samenwerking met gemeenten is daarom ook intensief. Het gezamenlijke ketenbeleid krijgt steeds meer vorm en inhoud. Door allerlei projecten wordt de capaciteit van de afvalwaterketens steeds beter afgestemd op de behoeften van het oppervlaktewatersysteem. En de capaciteit van de rioolgemalen en zuiveringen wordt steeds beter afgestemd op het afvalwateraanbod vanuit de rioleringssystemen van de gemeenten. De Toekomstvisie AWP/Bath is hier een belangrijk voorbeeld van.

Het beheer van de afvalwaterketen richt zich ook op toekomstige ontwikkelingen (doel duurzame ontwikkelingen). Hoe gaan we om met klimaatsveranderingen in de bebouwde omgeving? Hoe benutten we de infrastructuur dan optimaal? Hiertoe is samen met diverse partners een project opgestart (Valorius) dat bijdraagt aan de ontwikkeling van de klimaatactieve stad.

Het waterschap stelt zich verder open op naar andere maatschappelijke partners om een meerwaarde op andere maatschappelijke velden te kunnen bereiken. We denken bijvoorbeeld graag mee over mogelijkheden om glasvezelkabels door transportleidingen aan te leggen.

4.6 Vaarwegbeheer

Het waterschap beheert en onderhoudt de regionale vaarwegen in opdracht van de provincie Noord-Brabant. Het gaat dan bijvoorbeeld om het op diepte houden van de vaarweg, de bediening van bruggen en sluizen, en ook om het stellen van regels voor het vaarverkeer (het nautisch beheer).

Foto Scheepvaart op de Nieuwe Roosendaalse Vliet

Enkele gemeenten in het werkgebied van het waterschap hebben ook een taak in het vaarwegbeheer, voor wat betreft de havens. Het waterschap wil in de planperiode meer met de gemeenten gaan samenwerken. Daarmee kan er eenheid komen in de lokale regels die worden gesteld. Vervolgens werken waterschap en gemeenten samen aan de controle op naleving ervan. Dit sluit aan op de doelen voor effectiviteit en efficiënt beheer.

Foto Bediening keersluis

Samen met de provincie wordt een meerjarenprogramma opgesteld voor het baggerwerk en het onderhoud aan bruggen en sluizen. Het is de bedoeling om de achterstanden in het onderhoud tijdens de planperiode weg te werken (doel risico’s beheersen). De provincie en het waterschap zullen samen met gemeenten een toekomstvisie op het vaarwegbeheer formuleren. Daarnaast zal in de planperiode het vaarwegbeheer van het Markkanaal en het Oude Maasje overgedragen worden van Rijkswaterstaat naar het waterschap (en de provincie). Dit heeft als doel om het integraal beheer bij één organisatie te houden.

4.7 Vergunningverlening en handhaving

Vergunningverlening en handhaving zijn beleidsinstrumenten om activiteiten van derden te reguleren. Dit doet het waterschap voor het beheer van de keringen, het watersysteem, de zuiveringen en de vaarwegen. Het waterschap wil dat activiteiten van derden bijdragen aan een duurzame ontwikkeling waarbij deze geen risico’s opleveren voor het waterbeheer. Het gaat dus om het bereiken van ‘gewenst gedrag’. Het versterken van de eigen verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven vormt een rode draad in dit beheerplan. In deze paragraaf wordt nog ingegaan op:

  • 1.)

    de acties van het waterschap die gericht zijn op een effectief en efficiënt beheer en

  • 2.)

    acties gericht op het ondersteunen van een duurzame ontwikkeling.

Foto Ongewenste situaties

Eigen verantwoordelijkheid

Het waterschap is uitnodigend voor partijen die verantwoordelijkheid nemen en streng voor achterblijvers. Dat is het basisprincipe uit hoofdstuk 3, dat in deze uitvoeringsstrategie past. Initiatiefnemers nemen zelf de verantwoordelijkheid voor duurzaam ondernemen. Iedereen gaat anders om met de invulling van die eigen verantwoordelijkheid. Bij het maken van een weloverwogen keuze over de houding van het waterschap in een bepaalde situatie (meer of minder vastleggen), speelt de onderlinge relatie een belangrijke rol.

Het waterschap wil de koplopers, die eigen verantwoordelijkheid nemen, belonen met minder toezicht. Het waterschap kijkt daarbij ook kritisch naar de eigen regels.

We willen voorkomen dat er overbodige regels ontstaan. Het waterschap zal nog meer gaan werken met algemene regels voor burgers en bedrijven. In vervolg op de huidige keur willen we de komende jaren een verdere vereenvoudiging van de regels tot stand brengen. Als bepaalde regels een duurzame ontwikkeling in de weg staan, zal het waterschap kijken of de belangen van het waterbeheer ook op een andere manier geborgd kunnen worden. Onze inzet is dat burgers, organisaties en bedrijven activiteiten mogen ontplooien zonder vergunning, mits zij voldoen aan de algemene regels. Daarmee vergroten we eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid.

Op de kaart ‘risicogebieden’ kunnen initiatiefnemers zelf zien in welke gebieden een activiteit mogelijk tot problemen kan leiden (hoofdstuk 2).

Kader Johan Elshof (ZLTO)

De agrarische sector (LTO) heeft een eigen plan gemaakt, gericht op duurzaam waterbeheer: het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW). De sector stelt voor om de resterende knelpunten voor de waterkwaliteit en -kwantiteit gebiedsgericht en sectorgericht in beeld te brengen en gezamenlijk op te lossen. Als onderdeel van de watergebiedsprogramma’s wil het waterschap samen met de lokale agrariërs in watergebiedsplannen afspraken maken over de invulling hiervan (zie paragraaf 4.2). Bovenwettelijke activiteiten, zoals kennisoverdracht, voorlichting en blauwe diensten, kunnen gefinancierd worden vanuit het Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP-3). Voor de wateren in het grensgebied met Vlaanderen verdient de grensoverschrijdende impact van maatregelen hierbij speciale aandacht. Waar mogelijk wordt samenwerking met Vlaamse ondernemers en waterbeheerders gestimuleerd.

Het waterschap zet stimulering van de aanpak van diffuse bronnen door derden voort. Het stimuleringsbeleid is gericht op initiatieven die de emissies van probleemstoffen (vastgelegd in de meest recente watersysteemrapportages) verminderen. De reductie van nutriënten leidt niet in elke watertype even snel tot een verbetering van de ecologische waterkwaliteit. De focus ligt op initiatieven voor de reductie van fosfaatemissies in peilbeheerste gebieden. Hier is de kans het grootst dat het leidt tot een betere ecologische waterkwaliteit.

Het waterschap blijft ook kennisoverdracht door derden stimuleren. Een goed voorbeeld is de kringloopwijzer voor mineralen in de melkveehouderij. Dit voorbeeld is ook in de partnerdialoog voor het waterbeheerplan benoemd. Eén van de beste ideeën uit de partnerdialoog ging over het vergroten van waterbewust handelen van burgers: iedereen heeft een watermeter, maar niemand heeft een vuilwatermeter. Met de huidige technologie is het goed mogelijk om in de riolering per huisaansluiting van een bepaalde wijk vuilwatermeters te installeren en deze informatie via een app beschikbaar te stellen. Zo krijgen mensen inzicht in het eigen handelen, en ook in het verschil tussen verschillende straten of wijken. Het waterschap wil dit idee in de planperiode met de partners verder concreet uitwerken. Door dialoog zullen meer initiatieven ontstaan om het waterbewust handelen te vergroten. De Week van het Water, die tot en met 2014 jaarlijks door de gemeente Breda is georganiseerd, is in 2015 al samen met andere gemeenten vormgegeven. Zo kan de week uitgroeien tot een regionaal evenement waarbij aandacht wordt gevraagd voor het waterbewust handelen.

Kader Sandra Verheijden

Samenwerken als één overheid (effectief en efficiënt beheer)

Het waterschap let op de risico’s en kansen voor het water- en zuiveringsbeheer. Andere overheden letten weer op andere aspecten. De gezamenlijke overheden willen als één overheid een beoordeling geven over de toelaatbaarheid van activiteiten van derden (gelet op de bescherming van de omgeving). Daarom wordt de Omgevingswet ontwikkeld, die naar verwachting in 2018 in werking treedt. De samenwerking tussen de overheden (gemeente, waterschap, provincie en Rijkswaterstaat) wordt daarmee nog belangrijker. Het waterschap legt de afspraken met andere organisaties in samenwerkingsovereenkomsten vast. Zo adviseert het waterschap de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) over de beoordeling van lozingen op de riolering (bij nieuwe initiatieven en ook het toezicht op toegestane activiteiten). Ook voert Brabantse Delta samen met Rijkswaterstaat en een aantal andere waterschappen een gezamenlijk administratiesysteem in. Het waterschap treedt samen met Rijkswaterstaat op als waterspecialist voor de risicovolle bedrijven (brzo-bedrijven) in de regio. Het waterschap zal ook andere waterschappen in de regio hierin adviseren.

Goed vakmanschap (effectief en efficiënt beheer)

Als overheid leveren we kwaliteit. Het waterschap werkt volgens de kwaliteitscriteria die aan vergunningverlening en handhaving worden gesteld. We werken binnen de vastgestelde termijnen voor het afgeven van vergunningen, de afhandelen van klachten en bezwaarschriften en de verwerking van gewijzigde situaties in ons eigen systemen zoals de legger en het beheerregister. In 2013 is het percentage tijdig afgegeven vergunningen 92%. Binnen de planperiode wordt gestreefd naar 99%.

Het waterschap richt zich bij de controle op naleving van regels op de gebieden en bedrijfstakken waar de grootste risico’s zijn (risico = kans x gevolg). Het gaat dan om bijvoorbeeld de naleving van regels bij werkzaamheden in keringen en gebieden met intensieve teelten.

Een duurzame ontwikkeling ondersteunen

Het is belangrijk om na te gaan of ruimtelijke ontwikkelingen passen binnen de doelen voor een robuust waterbeheer. Ontwikkelingen worden in eerste plaats beschouwd als kansen om het watersysteem en de waterketen robuuster te maken. In tweede instantie wordt gekeken naar het beheersen van de risico’s. De beoordeling van ruimtelijke ontwikkelingen door het waterschap is wettelijk verankerd. Het belang hiervan is met het nationale deltaprogramma opnieuw bevestigd.

Het waterschap heeft beoordeeld in hoeverre bestaande lozingen een potentieel knelpunt vormen voor het bereiken van de doelen van de Kaderrichtlijn Water. Uit de analyse blijkt dat op de rioolwaterzuiveringen Rijen en Kaatsheuvel kansen liggen (zie paragraaf 4.5). De voorgenomen strategie wordt via maatwerkvoorschriften op de algemene regels verankerd. Zo blijft het waterschap op een transparante manier werken.

5. Monitoringsstrategie

Meten is weten. Alleen niet alles wat meetbaar is, is ook even interessant om te weten. Waarom meten we iets? Wat willen we doen met die informatie? Doelgericht werken is ook van belang voor de monitoringsstrategie van het waterschap. In hoofdlijnen onderscheiden we de volgende redenen om iets te meten, en/of te analyseren:

  • ·

    Om te rapporteren over de voortgang van ons werk. Op basis hiervan bepalen we of bijsturing van het beleid noodzakelijk is.

  • ·

    Om kennis te ontwikkelen. Soms is de huidige kennis te beperkt om de toekomstige opgaven effectief en efficiënt op te pakken. Focus op de belangrijkste leerbehoeften is dan nodig.

  • ·

    Om te controleren wat het effect is van uitgevoerde maatregelen in de praktijk. Het gaat dan vooral om situaties waarbij het resultaat van de metingen belangrijk is voor de programmering van de nog voorziene maatregelen in een volgende fase, of wanneer er risico’s kunnen ontstaan voor mens, milieu of economie.

  • ·

    Om actief het waterbeheer te sturen. Om te anticiperen op langere droge of natte perioden. Of om te weten of een bepaalde lozing in de afvalwaterpersleiding geen risico’s in de werking van de zuiveringstechnische werken veroorzaakt.

De eerste drie genoemde punten worden hieronder nog nader toegelicht.

Voortgangsrapportage

Het waterschap rapporteert in verschillende documenten over de voortgang van het behalen van de strategische doelen uit de doelenwijzer:

  • ·

    Kadernota: in dit document wordt jaarlijks beoordeeld of de koers bijgesteld moet worden. Er wordt gerapporteerd over de voortgang van bestuurlijke afspraken.

  • ·

    Jaarlijkse begroting en managementrapportages: hierin worden per taak de speerpunten en indicatoren benoemd en gerapporteerd die voor dat jaar relevant zijn.

  • ·

    Watersysteemrapportage: deze wordt eens per drie jaar opgesteld en geeft inzicht in hoe het beleid het functioneren van het watersysteem en waterketen beïnvloedt (de vorige watersysteemrapportage ging alleen over het watersysteem). Hierin is ook aandacht voor de resultaten in kennisontwikkeling voor wat betreft maatregel-effect relaties. Er is een watersysteemrapportage voorzien in 2016 (uitgangssituatie planperiode) en in 2019 (halverwege planperiode).

  • ·

    Jaarlijkse rapportage over de voortgang in de uitvoering van maatregelen voor de Kaderrichtlijn Water en de actuele toestand (waterkwaliteit en ecologie) van de KRW-waterlichamen. Op basis hiervan informeert het Rijk de Tweede Kamer en de Europese Commissie.

  • ·

    Klanttevredenheidsonderzoek en het onderzoek naar de relatie met samenwerkingspartners: we voeren het waterbeheer samen met partners uit ten diensten van de watergebruikers. De effectiviteit van het beleid is daarmee voor een deel te bepalen door opinie van watergebruikers en waterpartners in beeld te brengen. Dit kan gecombineerd worden met een onderzoek naar het waterbewust handelen van watergebruikers in de regio.

  • ·

    Rapportages aan subsidieverstrekkende partners: dit betreft de verantwoording over de afspraken die met andere overheden zijn gemaakt over medefinanciering van maatregelen.

  • ·

    Samenwerkingscharter operationeel waterbeheer met Vlaanderen en waterschap De Dommel: jaarlijks wordt de voortgang besproken in het Grenswater-overleg Molenbeek-Mark (dit is het voormalige Stroomgebiedcomité Mark).

Foto Monstername bij een zuiveringsinstallatie

Voornoemde rapportages geven inzicht in hoe effectief het waterschapswerk is en kunnen aanleiding geven tot behoud of bijstelling van het beleid. Met de Kadernota kan de koers, zoals in hoofdstuk 5 per programma is beschreven, worden bijgesteld. Indien de doelen van het waterbeheer ingrijpend aangepast moeten worden, zal overwogen worden om het waterbeheerplan gedeeltelijk te herzien. Het waterschap zal de wijze waarop de doelen uit dit plan (hoofdstuk 4) worden bijgehouden en gerapporteerd nog verder uitwerken.

Kennisontwikkeling

Het waterschap heeft veel kennis over het functioneren van het watersysteem en de waterzuiveringen. Die kennis wil het waterschap delen met anderen, zoals gesteld in de doelenwijzer. Daarnaast is er nog een leerbehoefte om het water- en zuiveringsbeheer effectiever te kunnen invullen. Dat geldt voor de volgende gebieden:

  • ·

    Optimalisatie van het risicogestuurd beheer in de dagelijkse praktijk (assetmanagement en beheer op basis van actuele informatie over de huidige situatie en weersverwachtingen). Wanneer we meer inzicht hebben in de kritische elementen, kunnen we de risico’s in het dagelijks beheer in de afvalwaterketen en het watersysteem beter beheersen.

  • ·

    Inzicht in de belangrijkste stuurparameters per deelstroomgebied of watersysteem. Dit draagt bij aan een meer robuust waterbeheer, mede gelet op de effecten van de klimaatsverandering. We gaan daarbij uit van een samenhang tussen waterkwantiteit en waterkwaliteit. Met andere woorden: we beschouwen sturing op voldoende water (voldoende vochtgehalte in bodem in relatie tot beperkte risico’s op wateroverlast) en 2.) in samenhang met sturing op de realisatie van een goede waterkwaliteit (ecologische sleutelfactoren) of gewenste gebruiksfuncties (water in de stad).

  • ·

    Optimalisatie van modellen die we gebruiken voor bovenstaande punten. Door de resultaten van modellen en meetgegevensanalyses slim te combineren, verkrijgen we een nog beter inzicht (1+1=3).

  • ·

    Inzicht vergroten in kansrijke oplossingen voor de uitdagingen van de toekomst, zoals de circulaire economie, nieuwe probleemstoffen en de vermindering van de CO2-voetafdruk van het waterschap.

  • ·

    Inzicht in effectieve samenwerkingsvormen (governance) en netwerken kennisdeling en de samenvoeging van verschillende meetdata van partners (waterkenniscloud).

Het waterschap zoekt bij de invulling van deze leerbehoefte uitdrukkelijk de samenwerking met partners. In partneroverleggen wordt bepaald of het nodig is om lokale onderzoeksprojecten binnen het eigen waterschap uit te voeren of bij andere partners. Waar doelmatig kan deelname aan Europese projecten waardevolle kennisinzichten opleveren.

Monitoring van effecten van maatregelen

Het waterschap meet niet van elke afzonderlijke maatregel de effecten in het watersysteem. Dat zou onbetaalbaar en ondoelmatig zijn. Met het routinematige meetnet kunnen trends worden waargenomen die door combinaties van maatregelen worden veroorzaakt. In bepaalde situaties is het nodig om lokale effecten te bepalen. Dat is wanneer:

  • ·

    er sprake is van een calamiteit met risico’s voor het watersysteem of de waterketen;

  • ·

    er sprake is van wettelijke verplichtingen of afspraken met derden, voor zover deze eenmalig zijn en de periode korter is dan vier jaar (anders wordt de monitoring opgenomen in het routinematige meetnet);

  • ·

    de meting van de lokale effecten past in de strategie voor de invulling van leerbehoeften;

  • ·

    het nodig is om de noodzaak en effectiviteit van vervolgmaatregelen in het gebied te bepalen.

Het waterschap meet effecten op (grond)waterstanden, waterkwaliteit en de aquatische ecologie. Ook de meting van grondwaterkwaliteit kan soms noodzakelijk zijn. De meting van doelsoorten in ecologische verbindingszones wordt echter door anderen (zoals bijvoorbeeld natuurterreinbeheerders) uitgevoerd.

Effecten in het watersysteem zijn meestal pas na enkele jaren te meten, op basis van reeksen meetgegevens. Hoe noodzakelijk vervolgmaatregelen in een bepaald gebied zijn, kan worden bepaald door te beoordelen van een (deel van dat) gebied voldoet aan de gestelde functionele eisen. Daarbij wordt gelet op de vastgestelde doelen voor dat gebied.

Op basis van een veldbezoek wordt bekeken of er nog knelpunten zijn die kunnen worden opgelost met inrichtingsmaatregelen of een gewijzigd terreinbeheer of onderhoudsregime. In bijlage 5 (gebied-specifieke aandachtspunten) zijn trajecten benoemd, waarbij een evaluatie van uitgevoerde maatregelen wenselijk is.

Het waterschap zal samen met partners een optimale werkwijze ontwikkelen om samen een dergelijke evaluatie vorm te geven.

Bijlage 1 Toelichting bij kaarten over het werkgebied

De opbouw van het watersysteem en de waterketen in het werkgebied van waterschap Brabantse Delta is weergegeven in verschillende kaarten: voor de waterkeringen, voor de KRW waterlichamen, de peilbeheersing, de gehanteerde indeling in deelstroomgebieden, het zuiveringsbeheer, de vaarwegen. In deze bijlage is een korte aanvullende toelichting per kaart opgenomen.

kaart

Waterkeringen (Kaart 3)

Waterkeringen zijn alle dijken, kades, sluizen en andere kunstwerken die laaggelegen gebieden beschermen tegen overstromingen vanuit de rivieren.

Het waterschap beheert drie typen waterkeringen:

  • ·

    Primaire waterkeringen: deze bieden bescherming tegen hoge waterstanden op zee, in de Deltawateren en op de rivieren Maas en Rijn. In het beheergebied liggen drie dijkringgebieden die omsloten zijn door primaire keringen. Het Rijk stelt de toetsingskaders vast voor deze keringen.

  • ·

    Regionale keringen: keringen langs regionale rivieren, boezemkaden en compartimenteringskeringen. Deze laatste groep dient als ‘achtervang’ als een primaire kering zou doorbreken. De provincie stelt de toetsingskaders vast voor de regionale keringen.

  • ·

    Overige keringen: alle kades langs kleinere waterlopen, zomerkaden en de voormalige primaire kering langs de polder van Allard te Raamsdonksveer. Deze hebben vooral een functie in het voorkomen van wateroverlast. Het waterschap stelt voor deze keringen zelf toetsingskaders vast.

 

KRW-waterlichamen (kaart 4)

Nederland rapporteert over de waterkwaliteit aan de Europese Unie. Dat verplicht de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). De rapportages zijn opgesteld voor delen van het watersysteem die ‘waterlichamen’ worden genoemd. Een deel van de hoofdwaterlopen van het waterschap behoort tot deze KRW-oppervlaktewaterlichamen. Aan elk KRW-opperwaterlichaam is ook een stroomgebied gekoppeld. De provincie bepaalt de waterhuishoudkundige functies van de waterlopen en legt de ecologische doelen voor deze KRW-oppervlaktewaterlichamen vast in het Provinciaal Milieu- en Waterplan. Het provinciaal plan bevat ook de grondwatermaatregelen. De KRW-maatregelen van het waterschap hebben grotendeels betrekking op oppervlaktewater en maken een verplicht onderdeel uit van het waterbeheerplan.

 

Gebiedsindelingen (kaart 5)

Het waterschap maakt vaak analyses en plannen per deelstroomgebied. De indeling van deze gebieden is samen met de gemeentegrenzen op kaart weergegeven. Ook hieruit blijkt dat het water over grenzen heen stroomt.

 

Peilbeheersing (kaart 6)

De mogelijkheden om het waterpeil te reguleren verschillen per gebied. Slechts in delen van het werkgebied kan water aangevoerd worden. Op de kaart is aangegeven vanuit welk watersysteem water ingelaten kan worden en waar de inlaatpunten liggen.

 

Rioolwaterzuiveringsinstallaties (kaart 7)

Het waterschap zuivert rioolwater voordat het terugkomt in de natuur. Dit water is afkomstig uit de gemeentelijke riolering en wordt via een transportstelsel naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) gepompt. De ligging van de verschillende zuiveringen en transportleidingen is op kaart weergegeven. Het gezuiverde afvalwater bevat vaak nog diverse reststoffen. Het gezuiverde afvalwater (effluent) wordt daarom op robuuste wateren geloosd. In veel gevallen is daarom gekozen voor lozing op de grotere rivieren.

 

Bij het zuiveringsproces komt slib vrij dat voor eindverwerking wordt afgevoerd naar de Slibverbrandingsinstallatie Noord-Brabant (SNB). Daarnaast beheert het waterschap ook installaties voor de zuivering van huishoudelijk afvalwater afkomstig van niet-gerioleerde panden. Dit zijn de installaties voor individuele behandeling van afvalwater (IBA’s).

 

Vaarwegen (kaart 8)

Een aantal waterlopen in het beheergebied zijn ook provinciale vaarwegen voor de beroepsvaart en recreatievaart. Het gaat om wateren als de Dintel, Steenbergsche Vliet en het Mark-Vlietkanaal. Het waterschap beheert en onderhoudt deze vaarwegen voor de provincie Noord-Brabant. Het gaat dan bijvoorbeeld om het op diepte houden van de vaarweg, de bediening van bruggen en sluizen, en ook om het opstellen van regels voor het vaarverkeer. Op de kaart staan de vastgestelde scheepvaartklassen vermeld. In de keur van het waterschap zijn regels opgenomen over de afmetingen van schepen per klasse.

Bijlage 2 Deelnemers partnerdialoog

deelnemers 1deelnemers 2

Bijlage 3 Maatregelen Kaderrichtlijn Water

Een gefaseerde uitvoering van maatregelen

In 2009 heeft het Rijk met alle provincies, waterschappen en Rijkswaterstaat afspraken gemaakt over de spelregels voor een tijdige en juridisch correcte implementatie van de KRW. Daarbij is Nederland met de Europese Commissie overeengekomen om een beroep te doen op de uitzonderingsbepaling voor een gefaseerde uitvoering van maatregelen in drie termijnen (2010-2015; 2016-2021 en 2022-2027). De inzet is om uiterlijk in 2027 de goede chemische en ecologische toestand van de waterlichamen te hebben gerealiseerd. De fasering is noodzakelijk om de uitvoering van maatregelen (technisch) haalbaar en (financieel) betaalbaar te houden. De uitvoering van maatregelen mag daarbij niet leiden tot disproportionele lastenverzwaring. De waterschappen hebben deze randvoorwaarde vertaald naar een bestuurlijk acceptabele, gematigde tariefontwikkeling voor alle kerntaken samen (keringen, watersysteem, zuiveren, vaarwegen, vergunningverlening en handhaving).

Een belangrijke afspraak is dat in 2021 een evaluatie plaatsvindt. Op basis van de in 2021 best beschikbare kennis over kosteneffectiviteit van maatregelen wordt dan beoordeeld welke mate van doelbereik haalbaar en betaalbaar wordt geacht voor eind 2027. Op basis van die evaluatie wordt in 2021 besloten of de doelstellingen en/of het maatregelpakket moeten worden aangepast voor de derde en laatste KRW-termijn (2022-2027). Het kan hierbij gaan om verlaging of verhoging van doelstellingen.

Het in 2009 door het waterschap voor de Europese Commissie opgegeven KRW-maatregelpakket voor de eerste termijn (2010-2015) is realistisch gebleken. Het totale volume aan (her) in te richten km en ha voor het hele beheergebied is gerealiseerd waarbij er wel (toegestane) verschuivingen in de verdeling over de waterlichamen en type maatregelen zijn opgetreden. De overige geplande maatregelen zijn evenwichtig verdeeld over de tweede (2016-2021) en derde (2022-2027) termijn.

Verschuivingen in het maatregelpakket

De cijfers in de kolom ‘realisatie SGBP1’ van Tabel 1 zijn niet 1-op-1 vergelijkbaar met de cijfers in het Waterbeheerplan 2010-2015. Zo is gebleken dat ‘beek- en kreekherstel’, ‘inrichting voor functie viswater/oevers’ en ’inrichten voor functie (lijnvormige) waternatuur’ in de meeste gevallen om dezelfde waterlooptrajecten gaat. Deze maatregelen zijn in dit nieuwe waterbeheerplan daarom samengevoegd wat beter recht doet aan de daadwerkelijke praktijksituatie. Aan het KRW-maatregelpakket voor de tweede termijn is ‘gedifferentieerd onderhoud’ toegevoegd en zijn de maatregelen ‘inrichten voor de functie (vlakvormige ) waternatuur’ (lees: venherstel) en ‘actief randenbeheer’ geschrapt. Gedifferentieerd onderhoud blijkt een goede praktijk te zijn die substantieel kan bijdragen aan een verbetering van de waterkwaliteit. Voor de periode 2016-2021 is 258km gepland voor het Maas-deel en 36 km voor het Schelde deel van het beheergebied Brabantse Delta.

De ervaring leert dat venherstel, door het ontbreken van een directe hydrologische relatie, niet direct bijdraagt aan het doelbereik van de KRW-oppervlaktewaterlichamen. Ook andere waterschappen nemen venherstelmaatregelen, om dezelfde reden, niet op in het KRW-pakket.

Het actief randenbeheer is niet langer als maatregel van het waterschap opgenomen. Het regionale project ‘Actief randenbeheer Brabant’ is overgegaan in een landelijke regeling: de vergroening uit het Europese Gemeenschappelijke Landbouwbeleid (zie paragraaf 4.4).

Omdat het Kierbesluit in 2018 geëffectueerd wordt, is het verstandig om de periode tot eind 2021 te benutten voor het beoordelen van de resultaten aan de hand van de monitoring van visintrek door Rijkswaterstaat. Op basis hiervan kunnen kosteneffectieve maatregelen voor bevordering van vismigratie tussen rijkswater en het regionale watersysteem voor de derde KRW-termijn (2022 t/m 2027) worden verkend.

Met de huidige kennis en inzichten zijn twee locaties in beeld om maatregelen te nemen om vismigratie te verbeteren tussen het rijkswater en het regionale watersysteem: Tonnenkreek, specifiek voor aal/paling. Nu wordt gewerkt met een tijdelijke aalgoot die elk trekseizoen wordt opgezet en waarbij vissen handmatig worden overgezet. Een permanente vaste voorziening is, gelet op het beperkte visaanbod, nog onvoldoende kosteneffectief. Als blijkt dat het aanbod toe gaat nemen door de Kier in de Haringvlietsluizen (vanaf 2018), is het aan te bevelen om op termijn een permanente goot te realiseren.

Keizersveer: het realiseren van een vismigratieroute langs de oude loop van de Donge blijkt niet eenvoudig en niet goedkoop. Alternatief is een vismigratieroute langs gemaal Keizersveer. Het aanbod aan trekvis zal door de Kier in de Haringvlietsluizen verbeteren. In de planperiode zal op basis van visonderzoek de meest optimale vismigratieroute worden bepaald.

disclaimer

Onderstaande kostenraming is gebaseerd op de volgende normkosten per eenheid:

  • Vismigratie: €110.000 per passage

  • Hydrologisch herstel natte natuurparel: €4.000 per ha

  • Beek- en kreekherstel: €250.000 per km

  • EVZ (10 m zone; nat)00 per km100.0

Bij de tabel hoort een voorbehoud (disclaimer bij het KRW-maatregelpakket).

Voor Markiezaatsmeer en Binnenschelde zijn nog geen maatregelen geprogrammeerd als KRW opgave. Voor deze beide waterlichamen wordt in 2015 een watersysteemanalyse uitgevoerd om zicht te krijgen op mogelijke kosteneffectieve maatregelen.

kostenraming

Bijlage 4 Taken en verantwoordelijkheden van het waterschap in (semi) geïsoleerde wateren

Het waterschap is als waterbeheerder verantwoordelijk voor het publiek beheer van het regionaal watersysteem. Hiermee wordt een groot maatschappelijk belang gediend. Deze bijlage gaat bondig in op de taken en verantwoordelijkheden van het waterschap in geïsoleerde en semi-geïsoleerde wateren. Het betreft een kopie van de bijlage uit het Waterbeheerplan 2010-2015. Het bevat dus geen nieuw beleid. De uitgangspunten die het waterschap hierbij hanteert zijn gerangschikt naar de verschillende rollen die het waterschap invult. De uitgangspunten worden in deze notitie nader toegelicht.

 

Definitie geïsoleerde wateren

Onder geïsoleerde wateren wordt in deze notitie verstaan: oppervlaktewateren die niet in open verbinding staan met het hoofdoppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat geïsoleerde wateren uitsluitend worden gevoed met regenwater en grondwater. In de Nederlandse situatie kunnen de meeste geïsoleerde wateren overtollig water wel afvoeren via een overlaat.

Veel ogenschijnlijk geïsoleerde wateren zijn in feite semi geïsoleerd. Hierbij wordt het water via een regelbaar kunstwerk gescheiden van het hoofdwatersysteem. Semi geïsoleerde wateren kunnen dus ook met oppervlaktewater gevoed worden. Voorbeelden van (semi) geïsoleerde wateren in Brabant zijn: vennen, wielen, zandwinplassen, stadsvijvers en blusvijvers. Hoofdwatersysteem en geïsoleerde wateren maken beide onderdeel van het regionale watersysteem en vallen zodoende onder de waterbeheerstaak van het waterschap. Daarnaast is in gevallen het waterschap naast waterbeheerder ook eigenaar van de ondergrond van het hoofdoppervlaktewatersysteem. Voor geïsoleerde wateren is dit meestal niet het geval.

Waterschap als waterautoriteit

Uitgangspunt 1

Het waterschap neemt geïsoleerde wateren in het waterbeheerplan op indien hieraan specifieke functies en doelstellingen gekoppeld zijn.

Toelichting

In het kader van de Waterschapswet en de Waterwet is het waterschap verantwoordelijk voor het waterbeheer van het regionaal watersysteem (m.u.v. de Rijkskanalen waarvan de huidige waterkwaliteitsbeheer taak als gevolg van de waterwet in de meeste gevallen zal overgaan naar Rijkswaterstaat). Ongeacht wie hier de eigenaar van is. Het waterbeheer dient planmatig en transparant uitgevoerd te worden. Om die redenen stelt het waterschap eens per vier jaar (straks eens per zes jaar) een waterbeheerplan op. In het waterbeheerplan is op hoofdlijnen aangegeven welke functies aan de oppervlaktewateren zijn toegekend, welke doelstellingen worden nagestreefd en wat de bijdrage van het waterschap is om deze doelstellingen te realiseren.

Functietoekenning vindt voornamelijk plaats door de provincie. Voor geïsoleerde wateren spelen reeds aanwezige natuurwaarden of potenties voor natuurontwikkeling een belangrijke rol bij functietoekenning. Voor het toekennen van de gebruiksfunctie zwemwater zijn ook de verplichtingen die voortvloeien uit de zwemwaterrichtlijn en het daadwerkelijk gebruik van het geïsoleerde water als zwemwater van belang.

Uitgangspunt 2

Geïsoleerde wateren met een specifieke functie worden door het waterschap opgenomen in het monitoringsprogramma.

Toelichting

Om vast te kunnen stellen of het gevoerde beleid van het waterschap succesvol is en de oppervlaktewateren aan de gestelde doelstellingen voldoen, heeft het waterschap een monitoringprogramma ingericht. Geïsoleerde wateren waaraan een functie is toegekend maken hier onderdeel van uit. De meetfrequentie in geïsoleerde wateren is over het algemeen laag. Dit betekent dat er veelal een beperkte hoeveelheid informatie beschikbaar is. De geïsoleerde wateren waaraan een zwemwaterfunctie is toegekend, vormen hierop een uitzondering. De provincie heeft als bevoegd gezag voor de wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden de monitoring van de kwaliteit van regionale oppervlaktewateren met de functie zwemwater, onder gebracht bij de waterschappen. Overeenkomstig de wettelijke eisen worden de zwemwateren elk badseizoen onderzocht.

Daar waar geïsoleerde wateren niet aan de functie eisen voldoen, dienen herstelplannen opgesteld te worden. Het waterschap prioriteert deze waar nodig in het waterbeheersplan.

Uitgangspunt 3

Indien aan een geïsoleerd water een specifieke functie is toegekend waarbij niet aan de functie eisen wordt voldaan, adviseert het waterschap de eigenaar en/of functiehouder over de verdere aanpak.

Toelichting

Als regionale waterautoriteit beschikt het waterschap over veel watersysteemkennis. Bij het optreden van beheerproblemen kunnen eigenaren van geïsoleerde wateren in principe een beroep doen op deze deskundigheid. Daar waar het een geïsoleerd water betreft met een specifieke functie die is vastgelegd in het waterbeheerplan, zal het waterschap altijd adviseren. In het geval van geïsoleerde wateren met een zwemwaterfunctie is er naast een eigenaar ook vaak een functiehouder (badbeheerder). De advisering zal zich in dat geval veelal richten op de functiehouder.

Indien het geïsoleerde wateren betreft waaraan geen specifieke functie is toegekend, maakt het waterschap per geval een afweging in hoeverre aan een dergelijk verzoek gehoor zal worden gegeven. De mate waarin dergelijke wateren openbaar toegankelijk zijn, speelt hierbij een rol. In de meeste gevallen zal de inbreng beperkt blijven tot het ter beschikking stellen van informatie.

N.B.: Op de uitvoerende taken van het waterschap wordt in deze notitie afzonderlijk ingegaan bij de uitgangspunten 6, 7 en 8.

Waterschap als bevoegd gezag

Uitgangspunt 4

Als bevoegd gezag reguleert het waterschap in geïsoleerde wateren activiteiten van derden.

Toelichting

In het kader van de Waterschapswet en de Waterwet is het waterschap bevoegd gezag voor het regionale watersysteem. Als bevoegd gezag dient het waterschap het publieke belang op het gebied van regionaal waterbeheer. Dit belang is veelal functie afhankelijk en door middel van normen afrekenbaar gemaakt (normen voor aan- en afvoer, wateroverlast, waterkwaliteit). Door middel van schouwvoering, vergunningverlening en handhaving (keur en de Waterwet) worden activiteiten van derden zodanig gereguleerd dat dit geen afbreuk doet aan de maatschappelijke waterbeheer doelstellingen. In vergelijking met de hoofdwaterlopen zijn de regulerende activiteiten in geïsoleerde wateren over het algemeen beperkt qua omvang.

Uitgangspunt 5

In geval van een calamiteit kan het waterschap als bevoegd gezag handelend optreden in geïsoleerde wateren, dan wel anderen tot handelen dwingen

Toelichting

Overeenkomstig artikel 69 van de Waterstaatswet 1900 beschikt het waterschap over een calamiteitenplan. Dit plan vormt het kader voor het optreden van het waterschap bij oppervlaktewater gerelateerde calamiteiten. In geval van een calamiteit is het waterschap bevoegd om handelend op te treden dan wel anderen tot handelen te dwingen. Dit met als doel de schade voor het watersysteem tot een minimum te beperken. Bij het bestrijden van calamiteiten werkt het waterschap nauw samen met anderen (onder ander brandweer en politie). In het geval van stedelijke wateren (inclusief de geïsoleerde wateren in stedelijk gebied) kan het waterschap nadere afspraken maken met de gemeente wie in welke situatie (bijvoorbeeld, vissterfte, botulisme, blauwalgen, zuurstoftekort) handelend optreedt. Indien dergelijke afspraken niet zijn gemaakt kan het waterschap naar bevinden handelen.

Waterschap als uitvoerder

Uitgangspunt 6

Het waterschap zorgt waar mogelijk voor de juiste hydrologische randvoorwaarden van geïsoleerde wateren.

Toelichting

Het waterschap is verantwoordelijk voor het peilbeheer in het regionale watersysteem, zowel voor de hoofdwaterlopen als de geïsoleerde wateren. Hiermee zorgt het waterschap waar mogelijk voor de juiste hydrologische randvoorwaarden voor de verschillen (gebruiks)functies.

Voor de hoofdwaterlopen staat het instandhouden van de afvoercapaciteit (veelal vastgelegd door middel van leggerafmetingen van waterlopen in de legger) centraal. De uitvoerende taken voor het waterschap zijn hier het maaien, baggeren en herprofileren van leggerwaterlopen en het feitelijk peilbeheer door middel van stuwen en gemalen. Voor de geïsoleerde wateren zijn de mogelijkheden voor peilbeheer over het algemeen beperkt. Dit is verbeterd nu de waterschappen overeenkomstig de waterwet ook beheerder van het ondiepe grondwater zijn in het landelijk gebied. Het waterschap vult voor geïsoleerde wateren de rol van waterbeheerder vooral in door toezicht te houden op activiteiten van derden die mogelijk van invloed zijn op het waterpeil en de waterkwaliteit (zie bij waterschap als bevoegd gezag).

Uitgangspunt 7

Het waterschap heeft als waterbeheerder geen uitvoerende taak in het regulier onderhoud van geïsoleerde wateren.

Toelichting

In geïsoleerde wateren ligt de verantwoordelijkheid voor het in goede staat houden van het water in principe bij de eigenaar. De eigenaar zal regulier onderhoud uitvoeren om het eigendom in goede staat te houden. Voor geïsoleerde wateren waaraan een functie is toegekend, is het “in goede staat houden” in belangrijke mate afhankelijk van de functie-eisen. Het waterschap gaat er vanuit dat de eigenaar hier het reguliere onderhoud uitvoert op basis van een onderhoudsplan.

Om verlanding tegen te gaan dient een geïsoleerd water periodiek gebaggerd te worden. Ook het reguleren van de visstand en het instandhouden van de oevers behoort tot de verantwoordelijkheid van de eigenaar. In de zwemzone van zwemwateren houdt de functiehouder de plantengroei in toom door deze regelmatig te maaien.

Inrichtingsmaatregelen ter versterking van de gebruiksfuncties, zoals het aanleggen van vissteigers, drijflijnen in zwemwateren etc., wordt eveneens tot de verantwoordelijkheid van de eigenaar en/of functiehouder gerekend.

Bijlage 5 Gebiedsspecifieke aandachtspunten

Inleiding

In de vorige planperiode is de integrale uitvoering van maatregelen opgepakt op basis van de uitgevoerde integrale gebiedsanalyses. Inmiddels is de basis van die analyses alweer vernieuwd: er zijn nieuwe modelberekeningen uitgevoerd voor de toetsing van regionale wateroverlast en voor het nieuwe beregeningsbeleid uit grondwater. Ook is er voortgang geboekt met de uitvoering van inrichtingsmaatregelen voor natuurontwikkeling. In de praktijk wordt het uitvoeringswerk soms sectoraal opgepakt. Bij het herstel van natte natuurparels wordt niet gekeken naar de optimalisering van het peilbeheer in het gehele deelstroomgebied. Zowel het waterschap als de gebiedspartners hebben behoefte aan een meer integrale gebiedsaanpak.

Het waterschap wil daarom watergebiedsprogramma’s samen met gebiedspartners gaan opstellen. Omdat dit niet voor alle gebieden tegelijk zal lukken, is er een prioritering gemaakt op basis van de grootte van de maatschappelijke risico’s per thema. De kaarten met prioriteiten per thema (wateroverlast, peilbeheer, ecologie en waterveiligheid) zijn opgenomen in de kaartenbijlage van dit plan. De achtergronden bij deze prioriteiten worden in deze bijlage per gebied toegelicht. Daarbij wordt de gebiedsindeling in deelstroomgebieden gehanteerd zoals weergegeven op kaart 5 (gebiedsindelingen) en beschreven in de navolgende tabel. Met gemeenten wordt in verschillende werkeenheden samengewerkt. De beschrijving van gebieden is gegroepeerd per werkeenheid.

Methodiek

De 23 gebieden zijn afzonderlijk beoordeeld op de thema’s veiligheid, wateroverlast, verdroging en waterkwaliteit/ecologie. De laatstgenoemde drie leveren ieder een score op (hoog, matig, of laag) en een optelsom. Omdat de veiligheidsopgave bestuurlijk de hoogste prioriteit heeft, is dit in de score verwerkt door de eindprioritering hierop aan te passen (meer prioriteit). Daarmee komt het thema veiligheid als belangrijkste prioriteit terug in de beoordeling.

Tabel gebiedsindeling

Gebiedsbreed resultaat van prioritering

Aan de hand van de beschreven methodiek is een prioritering tot stand gekomen voor de deelgebieden (zie afbeelding 1). Er zijn drie groepen van gebieden te onderscheiden, onderverdeeld naar een prioritering hoog-midden-laag:

  • Gebieden met een prioriteit hoog: hier speelt een meervoudige wateropgave. Het waterschap kiest, waar nodig, voor een actieve benadering om de waterdoelen te realiseren. Mocht het echter (kosten-)effectiever zijn om het initiatief bij derden te laten en daarop mee te liften dan doen we dat. Per gebied zijn altijd twee of meer opgaven urgent. Daarom wil het waterschap een integraal watergebiedsprogramma opstellen en daarbij de gerelateerde belangen van anderen nadrukkelijk meenemen om zo de beoogde integraliteit te bewerkstelligen;

  • Gebieden met een gemiddelde prioriteit (matig): hier ligt doorgaans een enkelvoudige opgave vanuit een van de waterthema’s. Het kan ook zijn dat de meekoppelkansen tussen de thema’s onderling beperkt zijn (geen overlap). Het waterschap kiest hier voor de inbreng van het wateraspect bij gebiedsgerichte ontwikkelingen (ruimtelijk dan wel maatschappelijk). De accenten kunnen per gebied verschillen (bijvoorbeeld de nadruk op waterveiligheid of waterkwaliteit);

  • Gebieden met een lage prioriteit: hier zijn geen urgente wateropgaven. Het waterschap speelt in op ontwikkelingen als die zich voordoen, maar neemt daarin in de komende planperiode geen initiatieven.

Bovenstaande prioritering heeft vooral betrekking op maatregelen die het waterschap programmeert om ontwikkeldoelen te realiseren. Daarnaast heeft elk gebied zijn eigen beheer- of instandhoudingsdoelen. Hier is al met een schuin oog naar gekeken (proefgebieden met een meer flexibel peilbeheer en/of natuurlijker onderhoudsniveau), maar de doelen zijn niet uitputtend beschreven. Waar van toepassing komt het beheeraspect terug bij de toelichting per gebied. Hetzelfde geldt algemeen toepasbare (beheer-) maatregelen, zoals akkerranden en groen-blauwe diensten.

 

EVZ = ecologische verbindingszone

GGOR = Gewenste Grond- en Oppervlaktewater Regime

SGBP = Stroomgebiedbeheerplan

 

De beschrijvingen van de aandachtspunten per gebied zijn gegroepeerd per werkeenheid die in de samenwerking met gemeenten wordt gehanteerd:

5.1. Werkeenheid de Baronie

5.2. Werkeenheid Hart van Brabant + deel van werkeenheid 4

5.3. Werkeenheid Waterkring West

5.4. Mark-Vliet (valt niet onder een werkeenheid)

 

Motivering per gebied, per werkeenheid

 

5.1 werkeenheid de Baronie

 

Deelgebieden:

  • 1.

    Aa of Weerijs

  • 2.

    Boven Mark

  • 3.

    Chaamse Beken

  • 4.

    Kibbelvaart-Brandse Vaart

  • 5.

    Merkske

  • 6.

    Molenleij

  • 7.

    Rooskensdonk-Hoge Vucht

  • 8.

    Turfvaart-Bijloop

 

Afbeelding werkeenheid de Baronie

Afbeelding prioriteiten wgp

 

Gebied 1: Aa of Weerijs

KRW-waterlichaam: Aa of Weerijs

Toegekende prioriteit komende planperiode: hoog

 

Afbeelding kaart aa of weerijs

 

Waarom heeft het gebied de prioriteit hoog (motivering)?

Veiligheid Hoog Regionale keringen langs de benedenloop bij Breda
Wateroverlast Hoog Groot gebied waar wateroverlast kan optreden
GGOR Hoog Nog onduidelijk effect van beregeningsbeleid op natte natuurparel
Waterkwaliteit Laag Weinig concrete ontwikkelingen om mee te liften met inrichtingsmaatregelen

 

Gebiedsspecifieke aandachtspunten:

  • In dit gebied zijn al diverse inrichtingsmaatregelen uitgevoerd (onder andere in de ruilverkaveling Weerijs-Zuid). De intensivering van het agrarisch gebruik in het beekdal en het herstel van natte natuurparels vragen om een zorgvuldige afweging van welke maatregelen nog genomen moeten worden. In dit gebied zal bekeken moeten worden wat de effecten van de maatregelen zijn en welke opgave er dus nog is. Een integrale analyse waarbij ook gekeken wordt naar haalbare doelen voor de Kaderrichtlijn Water is nodig.

  • Het beekdal van de Aa of Weerijs is niet genormeerd voor wateroverlast. Gelet op de hoge potentiële schaderisico’s wil het waterschap het gebied optimaliseren. Tevens zijn er compenserende maatregelen nodig om het verruimen van het beregeningsbeleid mogelijk te maken. De uitwerking via een watergebiedsprogramma is hiervoor het aangewezen instrument, waarbij ook het stroomgebied van de Turfvaart/Bijloop wordt betrokken.

  • Het waterschap kijkt daarbij ook naar gebiedsgerichte ontwikkelingen, zoals de rondweg rondom Zundert en landgoedontwikkeling (Weerijs).

  • De aanpak van 15 ha natte natuurparel is doorgeschoven naar de periode na 2021. Eerst worden de effecten van de genomen maatregelen samen met de provincie in beeld gebracht. Op basis daarvan kan beter bepaald worden welke aanvullende maatregelen nodig en effectief zullen zijn.

  • Van de nog in te richten 15,2 kilometer aan EVZ is iets minder dan de helft geprogrammeerd en de rest gepland voor de derde KRW-termijn (2022-2027). De komende planperiode wordt gekeken waar de inrichtingskansen het grootst zijn, ook met het oog op het aansluiten van de EVZ Kleine Beek en verbinding naar De Matjens (Vlaanderen). Hierbij is afstemming met gemeenten belangrijk, ook gelet op de totale opgave. De samenwerkingsovereenkomst met gemeente Zundert omvat bijvoorbeeld slechts een deel van de nog te realiseren EVZ binnen de gemeentegrenzen. Ook zal voor de regionale keringen bij Breda voor de komende planperiode in beeld worden gebracht welke maatregelen nodig zijn om aan de norm te voldoen en in hoeverre er hier meekoppelkansen liggen met de KRW-opgave.

  • Het onderhoudsregime en de toekomstige inrichtingsmaatregelen zullen het stromende karakter van de Aa of Weerijs moeten herstellen. Dit helpt een betere KRW-beoordeling te bereiken in 2027.

  • Om uiterlijk in 2027 aan de KRW-doelen te kunnen voldoen zal samen met Vlaamse partners worden verkend welke kosteneffectieve maatregelen voorhanden zijn.

 

Gebied 3: Boven Mark

KRW-waterlichaam: Boven Mark

Toegekende prioriteit komende planperiode: hoog

 

Afbeelding kaart boven mark

 

Waarom heeft het gebied prioriteit hoog (motivering)?

Veiligheid Hoog Overige keringen nog nader te beschouwen
Wateroverlast Matig Beperkt gebied en schaderisico
GGOR Matig Compensatie van effecten beregeningsbeleid
Waterkwaliteit Hoog Aaneengesloten traject beekherstel (Boven Mark) en ecologische verbindingszones (zijlopen)

 

Gebiedsspecifieke aandachtspunten:

  • Er zijn de afgelopen jaren al verschillende ecologische herstelmaatregelen uitgevoerd langs de Boven Mark en de zijlopen. Deze leveren ecologisch meer op als er, met aanvullende maatregelen, een aaneengesloten systeem wordt gerealiseerd. Het gaat dan om realisatie van de EHS en het beekherstel in het beekdal (6 kilometer) in combinatie met de ecologische verbindingszones langs de Galderse Beek en Hazeldonkse beek en het opheffen van de resterende twee vismigratieknelpunten in de Boven Mark.

  • Met de Vereniging Markdal is een samenwerkingsovereenkomst ondertekend waarin afspraken zijn gemaakt over de prioritering van en voorbereidende werkzaamheden voor uitvoering van maatregelen. De vereniging neemt het voortouw in het maken van afspraken met bewoners en ondernemers. Voor de planning en uitvoering van maatregelen worden de vigerende wettelijke procedures gevolgd. Het waterschap zal de komende planperiode ervaring opdoen met deze nieuwe samenwerkingsvorm om te komen tot een duurzaam en vitaal Markdal.

  • Vanwege de opgedeelde ligging van het KRW-waterlichaam Boven Mark (tussenliggend traject over Vlaamse deel) is afstemming met Vlaanderen voor het opstellen van een watergebiedsprogramma van belang, mede in relatie tot het watergebiedsprogramma voor het Merkske. Naast oeverinrichting speelt hier ook verdrogingsbestrijding in aansluiting op de Vlaamse zijde en de bovenlopen Strijbeekse Beek (stroomgebied Chaamse Beken), Galderse Beek en Merkske. Het waterschap laat daarmee zien dat het de samenwerking met Vlaanderen gebiedsgericht wil invullen en prioriteit wil geven in de planperiode.

  • De nog uit te voeren inrichtingsmaatregelen dienen een positieve bijdrage te leveren aan het herstel van het stromende karakter van de Boven Mark en de zijlopen, om doelbereik op de KRW-maatlatten in 2027 mogelijk te maken.

  • Voor de overige keringen zal de komende planperiode in beeld worden gebracht welke functie ze in dit gebied hebben en of ze in dat opzicht voldoen.

 

Gebied 5: Chaamse beken

KRW-waterlichamen: Chaamse Beken, Strijbeekse Beek, Bremer

Toegekende prioriteit komende planperiode: midden

 

Kaart chaamse beken

 

Waarom heeft het gebied prioriteit midden (motivering)?

Veiligheid Laag Geen keringen aanwezig
Wateroverlast Laag Beperkte wateroverlast in bebouwde kom
GGOR Matig Beperkte effecten beregeningsbeleid op natte natuurparels.
Waterkwaliteit Laag Geen concrete ontwikkelingen, inrichting deels al uitgevoerd in kader van landinrichting m.u.v. Strijbeekse Beek

 

Gebiedsspecifieke aandachtspunten:

  • Grote delen van het gebied zijn al behoorlijk natuurlijk ingericht (zoals de landgoederen Chaam en de uitgevoerde landinrichting Baarle-Nassau). De aanwezige natuur is aangewezen als EHS, als verwervingsopgave EHS of als natuur in combinatie met agrarisch gebruik.

  • Ondanks de uitgevoerde maatregelen blijft de ecologische toestand nog achter bij de KRW-doelen. De mogelijkheden tot grondaankopen voor aanvullende inrichtingsmaatregelen zijn in het gebied van de Chaamse beken beperkt.

  • Met natuurvriendelijk onderhoud en agrarisch natuurbeheer kan de kwaliteit wel verder worden verbeterd.

  • Langs de Strijbeekse Beek zet het waterschap in op verbindende trajecten (beekherstel in combinatie met aanpak verdroging van de natte natuurparel), zodat een meer aaneengesloten systeem ontstaat met de Boven Mark. In 2014 is het waterschap gestart met het opstellen van een watersysteemanalyse voor de Strijbeekse beek: de resultaten worden gebruikt voor de programmering van maatregelen. Hierbij zal afstemming met Vlaamse partners plaatsvinden.

  • Langs de bovenloop van de Strijbeekse Beek en de Bremer zoekt het waterschap naar mogelijkheden om mee te koppelen met agrarisch natuurbeheer (groen-blauwe diensten) en met maatregelen binnen het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer. Hiermee kan het waterschap mogelijk anticiperen op de uitbreiding van de intensieve veehouderij in het gebied rondom Baarle-Nassau.

  • Delen van de Bremer, Groot Vergoor en andere bovenlopen waar de EVZ met stapstenen is ingericht, worden de komende jaren meegenomen in een evaluatie van de habitateisen. Op grond van de evaluatie kan de provincie de programmering van de ecologische verbindingszones bijstellen.

  • Voor het vismigratieknelpunt Heerlese Loop/Pools Heining zal het waterschap samen met de provincie Antwerpen verkennen welke doelmatige maatregelen er mogelijk en gewenst zijn.

 

Gebied 9: Kibbelvaart – Brandse Vaart

KRW-waterlichaam: onderdeel van Mark-Vliet

Toegekende prioriteit komende planperiode: midden

 

Kaart kibbelvaart

 

Waarom heeft het gebied prioriteit midden (motivering)?

Veiligheid Laag Geen keringen aanwezig
Wateroverlast Matig Rondom Etten-Leur liggen een beperkt aantal gebieden waar wateroverlast een rol speelt
GGOR Laag Beperkte effecten van beregeningsbeleid op natte natuurparel
Waterkwaliteit Matig Enkele kansen voor realisatie van aaneengesloten traject EVZ

 

Gebiedsspecifieke aandachtspunten:

  • Langs de Kibbelvaart – Laakse Vaart en Brandse Vaart ten zuiden van de snelweg (EVZ Vossenbergse Vaart) liggen kansen om een aaneengesloten traject af te ronden, waarvan al delen zijn ingericht. Het heeft de voorkeur om aan te sluiten op vernattingsmaatregelen in de natte natuurparel De Berk / Kelsdonk (buiten het gebied gelegen).

  • In de samenwerkingsovereenkomst met de gemeente Etten-Leur zijn afspraken gemaakt over kadeverbetering in combinatie met de realisatie van de EVZ-opgave langs de Leurse Haven en Laakse Vaart. Echter, ook na uitvoering hiervan resteert er nog een aantal kilometers te realiseren EVZ.

  • De verbinding van de natte natuurparel langs de Turfvaart / Bijloop met de Vossenbergse vaart (EVZ) is uitgesteld (na 2021). De realisatie van de verdrogingsaanpak van de natte natuurparel wordt namelijk in zijn totale omvang bekeken (zie gebied Turfvaart/Bijloop).

  • Het waterschap onderzoekt of er kansen zijn om realisatie EVZ te combineren met waterberging om wateroverlast in de omgeving van Etten-Leur te beperken. Deels speelt dit zich ook af binnen stedelijk gebied (onderdeel van de heroverweging afvalwaterketen en samenwerkingsovereenkomst met gemeente Etten-Leur), waarover al afspraken zijn gemaakt.

 

Gebied 12: Merkske

KRW-waterlichaam: Merkske

Toegekende prioriteit komende planperiode: midden

 

Kaart merkske

 

Waarom heeft het gebied prioriteit midden (motivering)?

Veiligheid Laag Er zijn geen keringen aanwezig
Wateroverlast Laag Het gebied is beperkt gevoelig voor wateroverlast
GGOR Matig Beperkte opgave natte natuurparel
Waterkwaliteit Hoog Kans op aaneengesloten traject met Boven Mark / Vlaamse deel

 

Gebiedsspecifieke aandachtspunten:

  • Vanwege de ligging van het waterlichaam Merkske is afstemming met Vlaanderen en het watergebiedsprogramma voor de Boven Mark van belang (beekherstel en vismigratie). Vlaanderen wil samen met Nederland gerichte maatregelen treffen om in de periode tot 2021 een goede ecologische toestand voor ’t Merkske (Vlaams ‘speerpuntgebied’). Het waterschap sluit aan bij deze ambitie en stemt af met de Vlaamse partners over inrichting en beheer in het Grenswateroverleg Molenbeek-Mark. Onder de vleugels van dit grenswateroverleg zal een Vlaams-Nederlands stappenplan voor herstel van het Merkske worden ontwikkeld

  • Om die reden is 14,5 kilometer beekherstel en 2,3 kilometer EVZ geprogrammeerd voor de komende planperiode evenals 145 hectare aan natte natuurparels. Het belangrijkste aandachtspunt vormt daarbij het verhogen van de stromingsdynamiek. Met natuurvriendelijk onderhoud worden al goede resultaten geboekt. Mogelijk is plaatselijk ook nog verhoging van de ontwateringsbasis nodig (of verhoging van de waterbodem).

 

Gebied 14: Molenleij

KRW-waterlichaam: Bavelse Leij

Toegekende prioriteit komende planperiode: midden

 

Kaart bavelse leij

 

Waarom heeft het gebied prioriteit midden (motivering)?

Veiligheid Laag Overige keringen nog nader te beschouwen
Wateroverlast Hoog Groot gebied waar wateroverlast kan optreden
GGOR Laag Geen effect beregeningsbeleid en beperkte omvang natte natuurparel
Waterkwaliteit Laag Beperkte ontwikkelingen

 

Gebiedsspecifieke aandachtspunten:

  • De belangrijkste prioriteit is de aanpak van wateroverlast in het gebied: de overgangszone naar het stedelijk gebied Breda, met name rondom Bavel.

  • De realisatie van het bedrijven- en evenemententerrein Bavelse Berg in een overstromingsgebied vraagt om compenserende maatregelen om de toename van wateroverlast te voorkomen. Het waterschap overlegt hiervoor met de gemeente Breda.

  • Langs de Bavelse Leij en de Molenleij liggen overige keringen (niet genormeerd). Het waterschap gaat na of de huidige situatie aangepast moet worden en stemt daarbij af met de andere Brabantse waterschappen.

  • Er is in het gebied in het verleden al veel ingericht. De resterende inrichtingsopgave is daardoor beperkt: er is 1,5 kilometer EVZ geprogrammeerd in de periode tot en met 2021 (onder meer de EVZ Boomkikker in de omgeving van Molenschot). Het waterschap bekijkt samen met de gemeenten Gilze en Rijen en Breda of er meekoppelkansen ontstaan als gevolg van noord-zuid migratieroutes voor de boomkikker als doelsoort.

  • Ook de opgave voor het herstel van natte natuurparels is beperkt: er is 9 hectare geprogrammeerd van de 59 hectare.

  • Hoewel maatregelen in en rondom het Ulvenhoutse Bos al zijn genomen, wordt aanvullend daarop onderzocht of verdere lokale optimalisatie van de waterhuishouding nodig is, o.a. aan de Broekloop.

 

Gebied 20: Rooskensdonk – Hoge Vucht

KRW-waterlichaam: onderdeel van Mark-Vliet

Toegekende prioriteit komende planperiode: hoog

 

Kaart rooskensdonk

 

Waarom heeft het gebied prioriteit midden (motivering)?

Veiligheid Hoog Regionale keringen langs Mark Overige keringen nader te beschouwen
Wateroverlast Hoog Groot gebied waar wateroverlast kan optreden
GGOR Laag verdrogingsaanpak natte natuurparel Vuchtpolder
Waterkwaliteit Matig Beperkte uitvoeringskansen voor aaneengesloten traject

 

Gebiedsspecifieke aandachtspunten:

  • De komende jaren wordt een programma uitgevoerd om regionale keringen langs Mark en Vliet te laten voldoen aan de verhoogde veiligheidsnorm, in combinatie met de eisen voor de waterberging op het Volkerak-Zoommeer. De werken aan de regionale keringen worden uiterlijk in 2023 afgerond.

  • Voor de overige keringen in het gebied gaat het waterschap na of de huidige situatie (niet genormeerd) aangepast moet worden en stemt daarbij af met de andere Brabantse waterschappen.

  • De belangrijkste prioriteit is de aanpak van wateroverlast in het gebied (overgangszone naar stedelijk gebied Breda). De stad Breda ligt ook binnen het gebied, maar de aanpak van stedelijke wateropgaven kent hoofdzakelijk een eigen spoor (denk aan de waterketenbenadering, toename waterbergingsbehoefte als gevolg van uitbreiding spoorzone OVTC). Gemeente Breda is zich aan het oriënteren op een klimaatbestendige watervisie voor het binnenstedelijk gebied; het waterschap wil daar samen in optrekken.

  • Maatregelen vanuit het Waterbeheerplan richten zich dan ook met name op het landelijk gebied rondom de stad, zoals de natte natuurparel Lage Vuchtpolder in combinatie met de zuivering van stedelijk water (project Waterakkers).

  • Het stedelijke uitloopgebied tussen Breda en Oosterhout is als landschapspark aangemerkt met een brede blauw-groene agenda. Mogelijk dat hierin ook aanknopingspunten liggen voor de realisatie van waterdoelen.

  • Via uitwerking van de GGOR wordt de aanpak van wateroverlast zorgvuldig afgewogen tegen de verdrogingsbestrijding in het gebied. Waar mogelijk wordt dit met elkaar in verband gebracht.

 

Gebied 22: Turfvaart-Bijloop

KRW-waterlichaam: Turfvaart - Bijloop

Toegekende prioriteit komende planperiode: hoog

 

Kaart turfvaart

 

Waarom heeft het gebied prioriteit hoog (motivering)?

Veiligheid Hoog Overige keringen nog nader te beschouwen
Wateroverlast Hoog Groot gebied waar mogelijk wateroverlast kan optreden
GGOR Hoog Compensatie effect beregeningsbeleid en omvangrijke natte natuurparel
Waterkwaliteit Laag Beperkte concrete ontwikkelingen, herbeoordeling stroming

 

Gebiedsspecifieke aandachtspunten:

  • Voor de overige keringen langs de Bijloop gaat het waterschap na of de huidige situatie (niet genormeerd) aangepast moet worden en stemt daarbij af met de andere Brabantse waterschappen.

  • Bij de uitwerking van een aanpak voor de natte natuurparels houdt het waterschap rekening met de noodzakelijke compensatie vanuit beregeningsbeleid en wateroverlast. Het waterschap beschouwt het op te stellen GGOR-plan in samenhang met het gebied Aa of Weerijs vanwege de onderlinge hydrologische relaties.

  • Er is een nadere beoordeling van de omvang van de natte natuurparel langs de Turfvaart nodig vanwege de beperkte reikwijdte van de herstelmaatregelen (geen effect op droge delen). Het waterschap gaat hiervoor in gesprek met de provincie en de terreinbeheerder.

  • Voor het ingerichte deel van de Bijloop gaat het waterschap na of de uitgevoerde maatregelen voldoende bijdragen aan het herstel van het stromende karakter van de beek.

  • De Turfvaart is onderdeel van hetzelfde KRW-waterlichaam, maar sluit daar qua type onvoldoende op aan. Het waterschap onderzoekt of een beter passende typering een oplossing kan bieden. Op grond van die analyse wordt de resterende opgave voor beekherstel voor zowel de Turfvaart als de Bijloop (2,3 kilometer geprogrammeerd) zo nodig bijgesteld.

  • Door de afkoppeling van landbouwwater neemt de piekafvoer vanuit de Turfvaart naar de Bijloop toe, waardoor de kades langs de Bijloop extra worden belast. Het waterschap brengt de komende planperiode in beeld of er mogelijkheden zijn voor de realisatie van extra berging.

  • Vanwege de verwevenheid in het gebied kunnen sommige maatregelen beter gerealiseerd worden met de agrarische sector. Daarom kijkt het waterschap vooral ook naar mogelijkheden voor groen-blauwe diensten en akkerrandenbeheer.

 

5.2 Werkeenheid Hart van Brabant + deel van werkeenheid 4

 

Deelgebieden:

  • 1.

    Bovenlopen Donge

  • 2.

    Gat van den Ham

  • 3.

    Noordrand Midden

  • 4.

    Oosterhout-Waalwijk

 

Kaart hart van brabant

 

Kaart prioriteiten wgp

 

Gebied 2: Bovenlopen Donge

KRW-waterlichaam: Boven Donge

Toegekende prioriteit komende planperiode: hoog

 

Kaart bovenlopen donge

 

Waarom heeft het gebied de prioriteit hoog (motivering)?

Veiligheid Laag Geen keringen aanwezig
Wateroverlast Matig Beperkt schaderisico
GGOR Hoog Aanpak van verdroging van N2000-gebied Regte Heide/ Riels Laag heeft hoge prioriteit
Waterkwaliteit Hoog Aaneengesloten traject langs de Oude Leij / aansluiting op benedenloop

 

Gebiedsspecifieke aandachtspunten:

  • Het waterschap wil de komende planperiode het beekherstel en de EVZ realiseren langs de Oude Leij en Groote Leij. Dit gebeurt bij voorkeur in combinatie met andere maatregelen voor een meer optimaal peilbeheer (minder verdroging en minder wateroverlast). Hierdoor ontstaat een meer aaneengesloten geheel van natuurlijk ingerichte oevers en beekdalen.

  • De sifon in de Donge onder het Wihelminakanaal blijkt geen belemmering te vormen voor vismigratie. De vismigratieroute van de Oude Leij wordt daarom verbonden met de oude loop van de Donge en niet richting het Wilhelminakanaal. Zo wordt voor vissen de oude loop van de beek weer hersteld, terwijl bij hoge afvoeren het water van de Oude Leij naar het Wilheminakanaal wordt geleid. Voor visoptrek langs de Oude Leij (bovenloop Donge) ontbreken nog een aantal laatste migratiemogelijkheden bij stuwen tussen Riel en Dongen. Er zijn vier stuwen geprogrammeerd in de komende planperiode.

  • Het waterschap benut inrichtingskansen bij ruimtelijke ontwikkelingen zoals de stedelijke uitloopgebieden (groenzones) tussen Tilburg en Dongen, in de buurt van Koolhoven (woningbouw) en de Reeshofweide.

  • In het meest bovenstroomse deel van het gebied langs de Oude Leij (vanaf de Dorpswaterloop) vindt intensivering van agrarische bedrijfsvoering plaats. In dit gebied liggen kansen voor teeltvrije zones langs de waterloop.

  • Het gebied rondom de Hultense Leij is gevoelig voor watertekorten, maar tegelijk ook voor wateroverlast. Dit geeft randvoorwaarden voor de uitwerking van het peilbeheer (GGOR) voor dit gebied. Gemeente Gilze-Rijen en het waterschap zoeken de komende planperiode samen naar oplossingen om wateroverlast binnen een aantal kernen tegen te gaan.

  • Reeds gerealiseerde delen van de EVZ langs de Groote Leij worden meegenomen in een gebiedsbrede evaluatie van de effectiviteit van maatregelen binnen de EVZ. Op grond hiervan kunnen nog uit te voeren maatregelen beter worden ingezet.

  • Vanuit het gebiedsdossier voor de drinkwaterwinning Gilzerbaan is aandacht gevraagd voor de infiltratie van stoffen vanuit de Oude Leij naar het grondwater, waarvan vervolgens drinkwater wordt geproduceerd. Uit een nog op te stellen gebiedsvisie volgen eventueel maatregelen om deze belasting te verminderen. Nog te realiseren beekherstel biedt hiervoor wellicht een aanknopingspunt, als er voldoende cofinanciering beschikbaar is.

  • Voor N2000-gebied Regte Heide / Riels Laag zijn door het waterschap vernattingsmaatregelen getroffen langs de Oude Leij. Voor het droge deel (met natte natuurdoelen) zal het waterschap de terreinbeheerder adviseren over kansrijke beheer- en inrichtingsmaatregelen.

  • In de Oude Leij wil het waterschap een proef uitvoeren voor onderhoudsvrij beheer door houtconstructies in de beek aan te brengen.

 

Gebied 7: Gat van den Ham

KRW-waterlichaam: Gat van den Ham

Toegekende prioriteit komende planperiode: midden

 

Kaart gat van den ham

 

Waarom heeft het gebied prioriteit midden (motivering)?

Veiligheid Hoog Programma regionale keringen in samenhang met waterberging op het Volkerak-Zoommeer
Wateroverlast Matig Kleine kans op wateroverlast maar verhoogd risico door aanwezige glastuinbouw (Plukmade)
GGOR Laag Risico op effect van beregeningsbeleid op natte natuurparel
Waterkwaliteit Matig Uitvoeringskansen voor realisatie aaneengesloten trajecten

 

Gebiedsspecifieke aandachtspunten:

  • De komende jaren voert het waterschap een programma uit om de regionale keringen langs Mark en Vliet te laten voldoen aan de verhoogde veiligheidsnorm, in combinatie met de eisen voor de waterberging op het Volkerak-Zoommeer. De werken aan de regionale keringen worden uiterlijk in 2023 afgerond.

  • In het gebied is een concentratiegebied voor glastuinbouw rondom Drimmelen (intensivering en schaalvergroting), maar ook een verwevingsgebied voor natuurlijke ontwikkeling (buiten de EHS). De planontwikkeling wordt de komende jaren verder opgepakt en draagt de werktitel Grote Modderkruiper. Het plan biedt aanknopingspunten om resterende trajecten in te richten langs delen van het waterlichaam Gat van den Ham en Zwaluwse Haven (kreekherstel en wateroverlast). Ook onderzoekt het waterschap mogelijkheden om het beheer te extensiveren ten gunste van deze specifieke soort. Eventueel wordt ook het peilbesluit hierop aangepast.

  • De mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen (glastuinbouw) in dit gebied kunnen benut worden om het watersysteem robuuster te maken met meer ruimte voor water (kansen voor waterconservering, waterbergend vermogen en natuurvriendelijke inrichting en onderhoud).

  • De gemeente Zevenbergen is initiatiefnemer om de (overige) kering in Lage Zwaluwe te verleggen bij de Villawijk: het waterschap is hierbij betrokken vanuit keringenbeheer. Hetzelfde geldt voor de verhoging van de kade door de toename van de eb-vloedbeweging op het Hollandsch Diep.

  • Nu de sluizen open staan (Zwaluws getij) is er al in een deel van het waterlichaam vrije vismigratie mogelijk. Het waterschap onderzoekt de komende planperiode of het mogelijk is om ook bij het gemaal Hamse Polders een aanpassing in de inlaatduiker te realiseren om de vispasseerbaarheid te verbeteren.

  • Gerealiseerde delen van de EVZ Gat van den Ham II worden geëvalueerd op het effect voor de habitateisen in het gehele traject.

 

Gebied 16: Noordrand Midden

KRW-waterlichaam: onderdeel van Mark-Vliet

Toegekende prioriteit komende planperiode: midden

 

Kaart noordrand midden

 

Waarom heeft het gebied prioriteit midden (motivering)?

Veiligheid Hoog Programma regionale keringen in samenhang met waterberging op het Volkerak-Zoommeer
Wateroverlast Matig Beperkt gebied waar wateroverlast kan optreden
GGOR Matig Gevoelig voor effecten beregeningsbeleid in combinatie met beperkte ontwikkeling rondom natte natuurparel De Berk / Strijpen / Kelsdonk
Waterkwaliteit Matig Ontwikkelingen zijn beperkt / liggen grotendeels stil

 

Gebiedsspecifieke aandachtspunten:

  • Er worden verschillende oplossingsrichtingen voor de regionale kering verkend: Het plaatsen van een keermiddel langs de Mark en Vliet, waardoor de zuidelijk gelegen regionale kering kan vervallen is daarbij een optie, net als het geheel verbeteren van het huidige traject. De werken aan de regionale keringen worden uiterlijk in 2023 afgerond.

  • Het gebied is een overgangszone tussen het stedelijk gebied van Breda en het landelijk gebied. Er is ruimte voor de opvang van afvoerpieken en tijdelijke wateroverlast in de functiecombinatie waterberging en natuur. Een voorbeeld daarvan is de natte natuurparel Weimeren (reeds ingericht).

  • De inrichtingsopgave EVZ ligt grotendeels buitendijks langs de Mark. In het gebied zelf is de inrichtingsopgave beperkt of ligt stil (verwevingsopgave zowel binnen als buiten de EHS). In de programmering is het merendeel doorgeschoven naar de periode 2021-2027, met uitzondering van de natte natuurparel De Berk / Strijpen / Kelsdonk.

  • Uit de analyse van het beregeningsbeleid komt dit gebied naar voren als gevoelig voor effecten.

  • Het waterschap wil ervaring opdoen met flexibeler peilbeheer voor waterkwaliteit, waterconservering en waterberging. Daarom verkent het waterschap de mogelijkheden, onder meer in dit gebied.

 

Gebied 17: Oosterhout - Waalwijk

KRW-waterlichamen: Beneden Donge en Oude Maasje

Toegekende prioriteit komende planperiode: hoog

 

Kaart oosterhout

 

Waarom heeft het gebied prioriteit hoog (motivering)?

Veiligheid Hoog Programma regionale keringen en HWBP Overige keringen nog nader te beschouwen
Wateroverlast Hoog Groot gebied waar mogelijk wateroverlast kan optreden
GGOR Hoog Uitwerking N2000/ natte natuurparel Westelijke Langstraat
Waterkwaliteit Laag Beperkte ontwikkelingen om resterende delen van EVZ in te richten

 

Gebiedsspecifieke aandachtspunten:

  • In het gebied liggen een aantal projecten rondom veiligheid, deels vanuit het Hoogwater Beschermingsprogramma (Geertruidenberg en Amertak, Oosterhout) en Ruimte voor de Rivier. Verder speelt de overname van de kering langs het Drongelens Kanaal, een damwandreconstructie bij Oosterhout en een gemaalaanpassing bij Geertruidenberg (Middelschans) met een doorloop naar de komende planperiode.

  • Voor de overige keringen in het gebied gaat het waterschap na of de huidige situatie (niet genormeerd) aangepast moet worden en stemt daarbij af met de andere Brabantse waterschappen.

  • Bij de realisatie van deze en andere maatregelen voor waterveiligheid kijkt het waterschap naar combinatiemogelijkheden met natuurlijke inrichting en waterberging. Specifiek voor het Zuider Afwateringskanaal is een ontwikkeling in gang gezet met het oog op peilverhoging. Het waterschap zoekt naar maatwerk voor dit specifieke deel van het waterlichaam Beneden Donge, wat afwijkend is van de benedenloop van de Donge zelf. De beekherstelopgave is daarom uitgesteld. Eventueel biedt ook de verbreding van het Wilhelminakanaal compensatiekansen.

  • Wateroverlast kan met name optreden rondom Oosterhout en in de Langstraat. Bij de uitwerking van maatregelen voor het N2000-gebied Langstraat houden we hier rekening mee. Bij het voorkomen van wateroverlast kijken we ook naar grondwateronttrekkingen, bijvoorbeeld voor drinkwaterproductie.

  • Wanneer vismigratieknelpunten worden opgeheven, kan een aaneengesloten route ontstaan voor het hele Dongesysteem: het waterschap wil inzetten op de ontbrekende schakels en de aansluiting op de bovenloop. In de programmering is daarom de aanpassing van zes vispassages (stuwen) opgenomen, vooruitlopend het onderzoek naar de meest kansrijke route (langs de oude loop via Geertruidenberg of via het gemaal Keizersveer).

  • Waar mogelijk wordt deze opgave gecombineerd met inrichtingsmaatregelen (2,8 kilometer EVZ). Ook de herinrichting en verondieping van de Nionplas (12 ha) draagt bij aan een verdere verbetering van de waterkwaliteit en is daarom ook als KRW-maatregel opgevoerd.

 

5.3 . Werkeenheid Waterkring West

 

Deelgebieden:

  • 1.

    Brabantse Wal

  • 2.

    Cruijslandse Kreken

  • 3.

    Hoevense Beemden

  • 4.

    Ligne

  • 5.

    Markiezaat-Binnenschelde

  • 6.

    Molenbeek

  • 7.

    Niervaart-Bloemendaal

  • 8.

    Oude Prinslandse Polder

  • 9.

    Rietkreek-Langewater

  • 10.

    Tonnekreek

 

Kaart werkeenheid waterkring west

 

Kaart prioriteiten wgp

 

Gebied 4: Brabantse Wal

KRW-waterlichamen: Agger en Vennencomplex Groote Meer

Toegekende prioriteit komende planperiode: hoog

 

Kaart brabantse wal

 

Waarom heeft het gebied prioriteit hoog (motivering)?

Veiligheid Hoog Primaire kering Markiezaat loopt langs het gebied
Wateroverlast Laag Beperkt gebied met wateroverlast
GGOR Hoog Realisatie van instandhoudingsdoelen N2000 Brabantse Wal en 2e convenant water (in kader van N2000) heeft hoge prioriteit
Waterkwaliteit Hoog Aaneengesloten traject langs de Agger in combinatie met maatregelen vanuit Deltaplan Agrarisch Waterbeheer

 

Gebiedsspecifieke aandachtspunten:

  • De grote verscheidenheid aan landschapstypen in het gebied stelt uiteenlopende eisen aan de inrichting van het watersysteem. Naast delen met hoge natuurwaarden (N2000 Brabantse Wal) zijn er ook lager gelegen polders die voornamelijk agrarisch worden gebruikt.

  • Er wordt een watersysteemanalyse uitgevoerd om te bepalen welke systeemaspecten in dit gebied nog verbeterd moeten worden. Op grond hiervan wordt ook gekeken naar de mogelijkheden voor oeverinrichting (beekherstel langs Kalfsvense Bosloop en Heiloop) en vispassages langs de aangewezen vismigratieroute. Vooralsnog zijn twee van de vier benodigde vispassages geprogrammeerd voor de periode 2016-2021.

  • Het gebied rondom Woensdrecht-Oost krijgt een economische impuls als ‘maintenance valley’. Ook is natuurcompensatie hier in ontwikkeling: de aanleg van ‘Aviolanda’, waterconservering en de verbetering van waterkwaliteit rondom het ‘eiland’ van Woensdrecht. Het waterschap geeft vult dit samen met gemeente Woensdrecht verder in.

  • Het waterschap wil de wateraanvoer via de Agger combineren met de realisatie van de geprogrammeerde EVZ, om daarmee ook droogteschade te voorkomen en wateroverlast tegen te gaan. Vanuit Landschappen van Allure is cofinanciering beschikbaar voor waterberging en waterconservering.

  • Mede hierom is het gebied Brabantse Wal aangewezen als proefgebied om ervaring op te doen met een meer flexibel peilbeheer. Samen met waterschap Scheldestromen gaat het waterschap een streefpeilenplan in een breder kader opstellen en uitvoeren. Ook is het een pilotgebied voor het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer. Afgezien van flexibeler peilbeheer streven beide waterschappen ook naar verbetering van de waterkwaliteit.

  • In aanvulling op het al uitgevoerde KRW-synergieproject zijn voor de aanpak van verdroging maatregelen voorzien rondom het vennencomplex Groote Meer (N2000). De samenhang met de aanpak van de natte natuurparels Binnenschelde en het N2000-gebied Markiezaat (zie verderop) mag daarbij niet uit het oog worden verloren.

 

Gebied 6: Cruijslandse Kreken

KRW-waterlichaam: Cruijslandse Kreken

Toegekende prioriteit komende planperiode: hoog

 

Kaart cruijslandse kreken

 

Waarom heeft het gebied prioriteit hoog (motivering)?

Veiligheid Hoog Programma regionale keringen in samenhang met waterberging op het Volkerak-Zoommeer
Wateroverlast Laag Beperkte omvang van gebied waar wateroverlast kan optreden
GGOR Matig Beperkte effecten beregeningsbeleid op natte natuurparel Halstersch Laag en Oudlands Laag, maatregelen deels al uitgevoerd
Waterkwaliteit Hoog Aaneengesloten traject mogelijk via samenwerkingsovereenkomst met Gemeente Steenbergen

 

Gebiedsspecifieke aandachtspunten:

  • De komende jaren wordt een programma uitgevoerd om de regionale keringen langs Mark en Vliet te laten voldoen aan de verhoogde veiligheidsnorm, in combinatie met de eisen voor de waterberging op het Volkerak-Zoommeer. Dit loopt tot en met 2025.

  • Vanuit de Krekenvisie is de hele kreekherstelopgave van 11,8 kilometer geprogrammeerd voor de komende planperiode. Hetzelfde geldt voor de resterende delen van de natte natuurparels Halstersch Laag en Oudlands Laag (19 ha). In aansluiting hierop verkent het waterschap de mogelijkheden om samen met de gemeente Steenbergen 12 kilometer aan EVZ te realiseren (Polderwetering, Kruisbeek, Tuimelaarskreek, Laaikreek).

  • De uitvoering van maatregelen in de natte natuurparels is afgerond, terwijl die delen soms nog als opgave vanuit kreekherstel op de kaart staan: het waterschap gaat een herbeoordeling uitvoeren om de actuele opgave goed in beeld te brengen.

  • De projectuitvoering van de Brabantse Waterlinie biedt uitvoeringskansen voor een robuustere inrichting van het watersysteem (inundatiegebieden Cruijslandse Kreken en Oudlands Laag). Dit wordt in samenhang bekeken met het oplossen van wateroverlast in de kern van Wouw (verwerking overstortwater) en bovenstroomse waterconservering. Vanuit de provinciale regeling Landschappen van Allure is cofinanciering beschikbaar (deelprojecten Cruijslandse Kreken en Oudlands Laag). Hier kunnen inrichtingsmaatregelen mogelijk van mee profiteren.

  • Er is in dit gebied sprake van intensivering en schaalvergroting van agrarisch gebruik , waarbij ook waterconservering in het landelijk gebied aandacht vraagt. Er is behoefte aan een grotere mate van zelfvoorziening in waterbehoeften. Het waterschap gaat hier met de agrarische sector in gesprek om te bekijken waar kansen liggen voor waterconservering in combinatie met peiloptimalisatie. Dit gebied kan als proefgebied voor flexibel peilbeheer worden aangemerkt.

 

Gebied 8: Hoevense Beemden

KRW-waterlichaam: onderdeel van Mark-Vliet

Toegekende prioriteit komende planperiode: hoog

 

Kaart hoevense beemden

 

Waarom heeft het gebied prioriteit midden (motivering)?

Veiligheid Hoog Programma regionale keringen in samenhang met waterberging op het Volkerak-Zoommeer
Wateroverlast Hoog Aanpak van wateroverlast is urgent
GGOR Laag Er zijn geen effecten van het beregeningsbeleid op natte natuurparels
Waterkwaliteit Matig Beperkte meekoppelkansen voor uitvoeringsmaatregelen

 

Gebiedsspecifieke aandachtspunten:

  • De komende jaren wordt een programma uitgevoerd om de regionale keringen langs Mark en Vliet te laten voldoen aan de verhoogde veiligheidsnorm, in combinatie met de eisen voor de waterberging op het Volkerak-Zoommeer. De werken aan de regionale keringen worden uiterlijk in 2023 afgerond.

  • De inrichtingsopgave voor veiligheid en ecologie ligt grotendeels buitendijks langs de Mark (zie apart gebied Mark-Vliet). In het gebied zelf is de inrichtingsopgave beperkt.

  • Wel is er sprake van hardnekkige wateroverlast in en rondom Oudenbosch en in de laaggelegen delen van het gebied. Deels zijn al eerder maatregelen genomen vanuit aanpak knelpunten stedelijke wateroverlast. Om verder te komen is een integrale benadering gewenst. De combinatiemogelijkheden met een van de andere thematische opgaven (veiligheid, waterkwaliteit of droogte) lijken echter beperkt. In de komende planperiode zoekt het waterschap dan ook naar maatwerkoplossingen.

 

Gebied 10: Ligne

KRW-waterlichaam: Ligne

Toegekende prioriteit komende planperiode: midden

 

Kaart ligne

 

Waarom heeft het gebied prioriteit midden (motivering)?

Veiligheid Laag Geen keringen aanwezig

Wateroverlast Laag Beperkte omvang gebied waar wateroverlast kan optreden

GGOR Laag Beperkte effecten natte natuurparel Halsterse Laag, deels al gerealiseerd

Waterkwaliteit Hoog Goede mogelijkheden voor kreekherstel (zie Krekenvisie)

 

Gebiedsspecifieke aandachtspunten:

  • In het gebied liggen met name inrichtingsopgaven vanuit ecologie en verdrogingsaanpak (natte natuurparel Oudland - Halsterse Laag waarvan al een deel is gerealiseerd). In combinatie met 7,4 kilometer kreekherstel kan hier een programma voor worden opgezet samen met de gemeente Steenbergen.

  • Vanuit Landschappen van Allure is cofinanciering mogelijk (deelprojecten Halsters Laag en vestingswerken).

  • Gemeente Steenbergen heeft interesse getoond in een samenwerkingsovereenkomst voor de realisatie van een EVZ (programma). Er is 2,4 kilometer aan EVZ geprogrammeerd, inclusief Kraggeloop (onderdeel van het waterlichaam Ligne).

  • De ontwikkeling van het glastuinbouwgebied Westland kan benut worden om het watersysteem robuuster te maken met meer ruimte voor water. Hier liggen kansen voor waterconservering, waterbergend vermogen en natuurvriendelijke inrichting en onderhoud.

  • Het waterschap onderzoekt de komende planperiode welke gemalen de beste potenties bieden voor vismigratie en het meest kosteneffectief is te realiseren.

 

Gebied 23: Markiezaat / Binnenschelde

KRW-waterlichamen: Binnenschelde en Markiezaatsmeer

Toegekende prioriteit komende planperiode: midden

 

Kaart markiezaat

 

Waarom heeft het gebied prioriteit midden (motivering)?

Veiligheid Hoog Primaire kering en waterberging Volkerak-Zoommeer
Wateroverlast Laag Er is geen wateroverlast
GGOR Matig Herstel natte natuurparel doorgeschoven volgt op watersysteemanalyse
Waterkwaliteit Laag Geen concrete ontwikkelingen, lopende watersysteemanalyse

 

Gebiedsspecifieke aandachtspunten:

  • Het Markiezaat kampt met verdroging en staat daarom op de (provinciale) kaart van natte natuurparels als aan te pakken gebied. De vraag is in hoeverre het waterschap hier maatregelen kan nemen en voor welk deel van het systeem. Het waterschap wil daarom eerst een nadere analyse uitvoeren om tot nadere besluitvorming te komen. In de programmering van inrichtingsopgaven zijn er daarom nog geen maatregelen opgenomen.

  • In het kader van de uitwerking Rijksstructuurvisie Grevelingen-Volkerak-Zoommeer (RGV) worden maatregelen aangedragen die ook (de waterkwaliteit van) de Binnenschelde kunnen beïnvloeden. Daarnaast zijn er ontwikkelingen in het binnenstedelijke gebied van Bergen op Zoom die raakvlakken hebben met waterbeheer (Scheldevesting, uitbreiding container terminal, waterfront). De komende planperiode verkent het waterschap of/welke ontwikkelingen meekoppelkansen bieden rondom Binnenschelde (verbetering waterkwaliteit) en de stedelijke ambities Bergen op Zoom en waterberging Volkerak-Zoommeer.

  • Afspraken over Krammer-Volkerak- Zoommeer (N2000) volgen later.

  • Eind 2015 worden de resultaten verwacht van de gecombineerde watersysteemanalyse voor de KRW-waterlichamen Binnenschelde/Markiezaatsmeer. Hierbij worden zowel zoetwater als zoutwatervarianten onderzocht. Op basis van de resultaten en in samenhang met de uitwerking van de RGV zal in de planperiode worden bekeken in hoeverre er doelmatige waterkwaliteitsverbeterende maatregelen zijn te treffen.

 

Gebied 13: Molenbeek

KRW-waterlichamen: Molenbeek, Zoom/Bleekloop

Toegekende prioriteit komende planperiode: hoog

 

Kaart molenbeek

 

Waarom heeft het gebied prioriteit hoog (motivering)?

Veiligheid Hoog Effecten waterberging op Volkerak-Zoommeer
Wateroverlast Hoog Groot gebied waar wateroverlast mogelijk is
GGOR Laag Geen natte natuurparels en geen knelpunten in agrarisch gebied afgezien van oeverafkalving langs de Molenbeek
Waterkwaliteit Hoog Kansen voor realisatie aaneengesloten traject van EVZ en vismigratie langs Kleine Aa - Molenbeek – verbinding Roosendaalse Vliet

 

Gebiedsspecifieke aandachtspunten:

  • Vanuit de waterberging Volkerak zoekt het waterschap naar mogelijkheden om effecten op te vangen in het regionaal systeem (Zoom/Molenbeek) dat hierop afwatert. Mogelijk zijn hierdoor maatregelen vanuit waterveiligheid nodig voor de Molenbeek of de benedenlopen (Engebeek, Spuitendonkse Beek, Roosendaalse Vliet e.a.).

  • Wateroverlast vanuit het regionaal systeem kan optreden langs de Molenbeek, Eldersche Turfvaart en ten noorden van Roosendaal. Via de uitwerking GGOR gaat het waterschap maatregelen uitwerken die hierop zijn gericht. Het tegengaan van wateroverlast in de stad Roosendaal, dat hier raakvlakken mee heeft, wordt via een (waterketen-)aanpak benaderd.

  • In de realisatie van de EVZ en het beekherstel zoekt het waterschap naar maatregelen die mogelijk ook de risico’s op wateroverlast verminderen. Hier wordt prioriteit gegeven aan de EVZ Rissebeek en Engebeek als ontbrekende schakel(s). Het waterschap bekijkt ook of de al ingerichte delen van de EVZ Engebeek/Spuitendonkse beek voldoende hebben bijgedragen aan de gewenste habitateisen. Dit gebeurt in het kader van projectmatige evaluatie.

  • Het deel van de Molenbeek tot de grens is een ontbrekende schakel in een aaneengesloten traject vanaf Vlaanderen (Kleine Aa) tot aan de stad Roosendaal. Maatregelen worden samen met de provincie Antwerpen , gemeenten en andere partners uit maatschappelijke sectoren (landbouw, natuur, recreatie en sportvisserij) uitgewerkt conform de stroomgebiedsvisie kleine Aa / Molenbeek. Langs de parallel lopende Eldersche Turfvaart zijn geen aanvullende inrichtingsmaatregelen voorzien (geen beekherstel van de turfvaart).

  • Met het verleggen van de EVZ ‘om de stad’ naar ‘door de stad’ wordt ook de gewenste vismigratieroute verlegd. De drie bijbehorende vispassages zijn geprogrammeerd voor de komende planperiode waaronder ook het verdeelwerk Tolberg.

  • Rondom de Zoom is planontwikkeling gaande vanuit Landschappen van Allure, die is gericht op het vergroten van beleving en cultuurhistorie. Het waterschap ziet daarin aanknopingskansen voor de realisatie van waterdoelen, onder meer voor de EVZ Smalle Beek (deels vallend onder Cruijslandse Kreken). Mogelijk ontstaan er kansen om de bovenlopen en benedenlopen van de beken die de Zoom doorsnijd (zoals de Bleekloop) weer met elkaar te verbinden.

 

Gebied 15: Niervaart-Bloemendaal

KRW-waterlichaam: Roode Vaart

Toegekende prioriteit komende planperiode: laag

 

Kaart niervaart

 

Waarom heeft het gebied prioriteit laag (motivering)?

Veiligheid Laag Aanwezige keringen voldoen aan de normering
Wateroverlast Laag Beperkte omvang wateroverlast
GGOR Laag Geen effect beregeningsbeleid of herstel van natte natuurparel
Waterkwaliteit Laag Weinig ontwikkelingen (behalve de zoetwatermaatregel Roode Vaart) en beperkte ambities voor het KRW waterlichaam

 

Gebiedsspecifieke aandachtspunten:

  • Een belangrijke ontwikkeling in het gebied is de uitvoering van de Roode Vaart door Zevenbergen als zoetwatermaatregel. Hoe de waterkwaliteit in het (deels nieuwe) waterlichaam zich ontwikkelt zal zich de komende jaren via monitoring worden gevolgd. Mogelijk geeft dit nieuwe kansen voor specifieke habitats, zoals plekken voor ondergedoken waterplanten.

  • In combinatie hiermee wordt in de kern van Zevenbergen, de jachthaven uitgebreid: hierdoor neemt het areaal oppervlaktewater verder toe.

  • Uitbreiding van het Logistiek Park Moerdijk/chemiecluster havenbedrijf brengt een scheiding van waterstromen met zich mee. Hoewel Moerdijk buiten het gebied ligt heeft dit wel gevolgen voor het waterbeheer in het gebied: er zullen meer lokale lozingen van regenwater komen met risico’s op een achteruitgang van de waterkwaliteit. De afkoppeling van regenwater mag niet leiden tot een verslechtering.

  • Onderhoud aan gemaal Niervaart is voorzien in 2016. Het waterschap onderzoekt de komende planperiode welke gemalen de beste potenties bieden voor vismigratie en het meest kosteneffectief is te realiseren.

 

Gebied 18: Oude Prinslandse Polder

KRW-waterlichaam: Molenkreek complex

Toegekende prioriteit komende planperiode: midden

 

Kaart oude prinslandse polder

 

Waarom heeft het gebied prioriteit midden (motivering)?

Veiligheid Hoog Programma regionale keringen in samenhang met waterberging op het Volkerak Zoommeer
Wateroverlast Laag Beperkt gebied waar wateroverlast kan optreden
GGOR Matig Beperkte omvang natte natuurparel
Waterkwaliteit Matig Beperkte uitvoeringskansen voor aaneengesloten traject langs de Derriekreek

 

Gebiedsspecifieke aandachtspunten:

  • De komende jaren wordt een programma uitgevoerd om de regionale keringen langs de Mark (Dintel) en de Vliet te laten voldoen aan de verhoogde veiligheidsnorm, in combinatie met de eisen voor de waterberging op het Volkerak-Zoommeer. De werken aan de regionale keringen worden uiterlijk in 2023 afgerond.

  • In het kader van Landschappen van Allure (project Westbrabantse waterlinie) worden plannen ontwikkeld voor Benedensas (recreatieve poort). Ook in de krekenvisie zijn ambities neergelegd voor (o.a.) kreekherstel in dit gebied.

  • Vanuit de geplande aanleg van de snelweg A4 zijn tot dusverre geen compensatiemogelijkheden voor natuur ontstaan waar een uitvoering van maatregelen op zou kunnen aansluiten.

  • Mogelijk zijn er wel combinatiemogelijkheden met ontwikkelingen vanuit het Agro Food Cluster en het glastuinbouwgebied Westland (waterberging), hoewel deze laatste al deels is gerealiseerd. Langs de Derriekreek biedt dit wellicht (beperkte) meekoppelkansen voor de inrichting van 3,1 kilometer EVZ en kreekherstel alsook voor het ontbrekende traject tussen de Derriekreek en de Dintel. Ten zuiden van de Noordlangeweg zijn opnieuw gronden aangeboden voor de realisatie van een EVZ. Ten zuiden van Dinteloord (Molenkreek) ligt er nog een opgave ter compensatie van nieuwbouw.

  • Het waterschap onderzoekt of de Molenkreek op termijn zoet kan blijven of niet. Mede afhankelijk daarvan wordt de KRW-typering aangepast en wordt de vispassage afgestemd op de doelsoorten. Ook bekijkt het waterschap de komende planperiode of aanpassing bij het gemaal dan nog gewenst is. De hiermee gemoeide inrichtingsmaatregelen zijn gefaseerd naar de planperiode 2022-2027.

 

Gebied 19: Rietkreek Langewater

KRW-waterlichaam: Rietkreek Langewater

Toegekende prioriteit komende planperiode: laag

 

Kaart rietkreek

 

Waarom heeft het gebied prioriteit laag (motivering)?

Veiligheid Laag In het gebied liggen alleen primaire keringen die reeds voldoen aan de norm
Wateroverlast Laag Beperkt gebied waar wateroverlast kan optreden
GGOR Matig Robuuster waterbeheer vanuit zoetwateraanvoer Zeeland via de Rietkreek (combinatie met flexibel peilbeheer)
Waterkwaliteit Matig Combinatie van oeverinrichting en wateraanvoer naar Zeeland vooruitlopend op verzilting VZM na 2028

 

Gebiedsspecifieke aandachtspunten:

  • Bij de uitwerking van de Rijksstructuurvisie Grevelingen-Volkerak en Deltaprogramma Zoet Water komen maatregelen in beeld voor de zoetwateraanvoer via het krekenstelsel van de Rietkreek richting Tholen en Sint Philipsland. Het waterschap combineert deze opgave voor robuuster peilbeheer met de realisatie van de nog aan te leggen EVZ en kreekherstel (2,9 respectievelijk 4,3 kilometer en 1 vismigratieknelpunt geprogrammeerd), afhankelijk van de ontwikkeltermijn van het Deltaprogramma, en kijkt daarbij ook naar de mogelijkheden voor agrarisch natuurbeheer.

  • Op langere termijn komt ook mogelijke realisatie van een zoet-zoutovergang in het zuidelijk deel van het Langewater in beeld ingeval het Volkerak-zoommeer zout wordt gemaakt en de waterkwaliteit van de Eendracht in die situatie voldoende goed is. In de komende planperiode wordt dit verder verkend als uitwerking van de krekenvisie, zodra het besluit over het zout maken van het Volkerak-Zoommeer definitief is bij vaststelling van de Rijksstructuurvisie Grevelingen Volkerak-Zoommeer.

  • Rondom Nieuw-Vossemeer veroorzaken wisselteelten van (met name) boomkwekerijen een sterk wisselende waterbehoefte per seizoen in de agrarische sector. Het waterschap wil ervaring opdoen met flexibeler peilbeheer en verkent daartoe onder meer in dit gebied de mogelijkheden (via uitwerking GGOR en combinatie met wateraanvoer naar Zeeland).

  • Met de gemeenten zijn nog geen harde afspraken gemaakt over watermaatregelen.

  • Afgezien daarvan zijn er beperkte ontwikkelingen in dit gebied in de planperiode 2016-2021, waardoor de prioritering ‘laag’ is toegekend.

 

Gebied 21: Tonnekreek

KRW-waterlichaam: Tonnekreek complex

Toegekende prioriteit komende planperiode: midden

 

Kaart tonnekreek

 

Waarom heeft het gebied prioriteit midden (motivering)?

Veiligheid Hoog Programma regionale keringen in samenhang met waterberging op het Volkerak-Zoommeer
Wateroverlast Laag Beperkt gebied waar wateroverlast kan optreden
GGOR Matig Beperkt effect beregeningsbeleid of natte natuurparel
Waterkwaliteit Matig Beperkte uitvoeringskansen voor aaneengesloten traject

 

Gebiedsspecifieke aandachtspunten:

  • De komende jaren wordt een programma uitgevoerd om de regionale keringen langs de Mark en de Vliet te laten voldoen aan de verhoogde veiligheidsnorm, in combinatie met de eisen voor de waterberging op het Volkerak-Zoommeer. De werken aan de regionale keringen worden uiterlijk in 2023 afgerond.

  • In de krekenvisie zijn o.a. ambities neergelegd voor kreekherstel in dit gebied. Het waterschap onderzoekt of peilaanpassingen meerwaarde opleveren: langs Keenehaven / Verlamde vaart lijken de mogelijkheden beperkt. De reeds gerealiseerde delen van de EVZ worden meegenomen in een projectmatige evaluatie van de resulterende habitats. Er is prioriteit gegeven aan de inrichting van trajecten langs de Tonnekreek zelf en Keenehaven II (2,7 kilometer EVZ en 1,5 kilometer kreekherstel).

  • De aanpak van de singels in Klundert is doorgeschoven in de programmering, omdat de gemeente nu geen begrotingsruimte heeft.

  • Verzilting van het Volkerak kan tot een toename leiden van het chloridegehalte in de Willemspolder. Het waterschap onderzoekt de eventuele effecten en neemt zo nodig maatregelen om de zoetwatervoorziening op peil te houden.

  • Met de geplande renovatie van gemaal Tonnekreek wordt overwogen om met cofinanciering een permanente aalgoot te realiseren. Bij andere stuwen in het gebied wordt nader bekeken of aanpassing noodzakelijk is voor de verbetering van de vispasseerbaarheid (van de zeven stuwen zijn er drie geprogrammeerd).

 

5.4 Mark-Vliet (valt niet onder een werkeenheid)

 

Gebied 11: Mark-Vliet

KRW-waterlichaam: Mark-Vliet

Toegekende prioriteit komende planperiode: midden

 

Waarom heeft het gebied prioriteit midden (motivering)?

Veiligheid Hoog Programma regionale keringen + overname keringen langs Markkanaal
Wateroverlast Laag Beperkt gebied buitendijks
GGOR Laag Beperkte omvang natte natuurparels, geen N2000 gebieden
Waterkwaliteit Matig Bepalen haalbare en effectieve beekherstelopgave langs Mark en Vliet op basis van nog op te stellen watersysteemanalyse

 

Gebiedsspecifieke aandachtspunten:

  • Het gebied Mark en Vliet omvat het waterlichaam zelf plus de buitendijkse gronden langs de deelgebieden Hoevense Beemden, Kibbelvaart-Brandse Vaart, Noordrand Midden, Rooskensdonk-Hoge Vucht, Tonnekreek, Oude Prinslandse Polder, Cruijslandse Kreken, Gat van den Ham en Niervaart-Bloemendaal. Afgezien van Kibbelvaart-Brandse Vaart en Niervaart-Bloemendaal hebben deze gebieden vanuit de regionale keringen een hoge prioriteit vanuit waterveiligheid. Het waterschap zoekt in deze zeven gebieden de komende jaren nadrukkelijk naar koppelkansen tussen maatregelen voor regionale keringen (veiligheid) en ecologie.

  • Er is een intentieovereenkomst met de gemeenten Halderberghe, Steenbergen en Moerdijk voor de uitvoering EVZ langs de Mark, Vliet en Dintel. Dit is een goed vertrekpunt om aan te haken op het uitvoeringsprogramma voor de regionale keringen. Het deel langs de Roosendaalse Vliet ontbreekt nog.

  • De Mark gaat over op de singels in Breda waar weinig ruimte is voor inrichting. Qua ecologie zal het waterschap samen met de gemeente naar kansen zoeken voor kwaliteitsverbetering binnen de stedelijke ruimte.

  • Hetzelfde geldt voor de Mark tussen Breda en Halsche Beemden. Daar is de ruimte eveneens beperkt, maar wellicht minder krap dan in de stad zelf.

  • Er wordt een watersysteemanalyse uitgevoerd om te bepalen welke maatregelen nodig zijn voor het herstel van het stromingskarakter en de waterkwaliteit. Maatregelen voor beekherstel en ecologische verbindingszones zijn in afwachting van die analyse gepland voor de periode na 2021. Dat geldt ook voor de EVZ langs het Markkanaal. Deze heeft een lage prioriteit vanuit provinciaal beleid.

  • Langs de Steenbergsche Vliet zijn delen van de oever via stapstenen ingericht; de komende jaren wordt dit geëvalueerd zodat we kunnen bepalen of er nog aanvullende inrichting nodig is of niet.

  • Langs de Dintel is landschapscompensatie van belang, vanwege de komst van het windturbinepark. De inrichtingsopgave vanuit het waterschap kan daarbij aansluiten.

  • De spoorbrug over de Mark bij Zevenbergen is nu een knelpunt voor de scheepvaart, omdat deze als enig kunstwerk niet aan de geldende vaarwegklasse voldoet. Vanuit het vaarwegbeheer heeft het waterschap een agenderende rol. Het waterschap kaart bij de provincie en spoorwegbeheerder aan dat de brug geschikt moet worden gemaakt voor de thans geldende vaarwegklasse op het moment dat de brug vervangen wordt.

Bijlage 6 Verklarende woordenlijst

verklarende woordenlijst

Kaart 1 Risicogebieden

1

Kaart 2 Overstromingsrisico's bij een doorbraak van regionale keringen

2

Kaart 3 Waterkeringen in beheer bij waterschap Brabantse Delta

3

Kaart 4 KRW Waterlichamen

4

Kaart 5 Gebiedsindeling met gemeentegrenzen

5

Kaart 6 Peilbeheersing

6

Kaart 7 Waterketen: RWZI en transportleidingen

7

Kaart 8 Regionale vaarwegen

8

Kaart 9 Ruimtelijke ontwikkelingen

9

Kaart 10 Toetsing primaire waterkeringen en waterkerende kunstwerken

10

Kaart 11 Toetsingsresultaten regionale keringen en waterkerende kunstwerken

11

Kaart 12 Maatregelen primaire en over te nemen regionale waterkeringen

12

Kaart 13 EVZ trajecten en ambassadeursoorten

13

Kaart 14 Prioriteiten risico's op wateroverlast

14

Kaart 15 Prioriteiten GGOR rond natte natuurparels

15

Kaart 16 Prioritering inrichtingsmaatregelen voor ecologie

16

Kaart 17 Meerjaren baggerplan

17

Kaart 18 Verdachte en onverdachte locaties voor waterbodemonderzoek

18